“Je gaat het pas zien als je het door hebt”

Dit verhaal begint in Veenhuizen, in april 2019. Ik zit in vrijwillige quarantaine, in een intelligent lockdown toen nog niemand van deze term gehoord had. Het is weer eens tijd om mijn leven tegen het licht te houden: gaat het nog zoals ik wil? wie ben ik eigenlijk? En belangrijker nog: wat wil ik eigenlijk? Relevante vragen, zeker nu het einde van mijn werkzame leven in zicht komt, en ik het straks allemaal lekker zelf mag uitzoeken. De introspectie levert geen spectaculaire nieuwe inzichten op, maar dat is ook niet erg. Ik constateer dat ik tevreden ben over hoe het gaat en dat ik plannen genoeg heb voor de toekomst. Ik heb afstand van mijn eigen leven nodig om daar goed over na te denken. Reflectie vereist afstand.
De navelstaarderij gaat gepaard met het maken van een paar foto’s van mezelf die het proces van zelfonderzoek moeten illustreren. Misschien zou ik deze foto’s ook nog wel een keer kunnen gebruiken voor een paar schilderijen, was de gedachte.
Een jaar later breekt de pleuris uit. De wereld staat op zijn kop. Ook mijn wereld verandert van het ene op het andere moment. Mijn levensgezel en ik worden allebei getroffen door het virus. Een lockdown is ons lot. Een deeltje erfelijk materiaal, verpakt in een eiwitomhulsel, zet ons leven even stil en zorgt voor een periode van “naarbinnengerichtheid”. We hebben noodgedwongen even genoeg aan onszelf en zijn onze naasten eeuwig dankbaar voor aandacht, blijken van medeleven, boodschappen en pannetjes soep.
Als het virus is uitgewoed, neemt het leven weer zijn (nieuwe?) normale vorm aan en is het hoog tijd om de schilderkwast weer ter hand te nemen. Ik pak de Veenhuizense foto’s erbij en zie dat een aantal poses die ik heb aangenomen extreem naar binnengekeerd zijn: de lockdown ten voeten uit. Die poses verschijnen dus op het doek: Lockdown I en II ontstaan.

Lockdown I
Erie Merkus: Lockdown I
Lockdown II
Erie Merkus: Lockdown II

Een derde pose is meer open. Ik besluit om deze pose te gebruiken voor een derde schilderij: Unlock. Het schilderij is af, ik ben tevreden, het staat nog op mijn ezel waardoor het af en toe mijn aandacht vraagt.
Ik heb in mijn blogs al een aantal malen betoogd dat bij het maken van een schilderij er sprake is van een wisselwerking tussen bewustzijn en on(der)bewustzijn. Je bent je vaak van te voren niet geheel bewust van wat je met een schilderij wilt uitdrukken. Een schilderij wordt nooit exact zoals je het voor ogen had. Het verhaal van een schilderij ontstaat en vertelt zich als het ware zelf. Je moet als creator vaak maar afwachten wat het schilderij uitdrukt. Natuurlijk is het altijd uiteindelijk jouw verhaal, maar je ziet het vaak pas achteraf. De grote JC zei het al: “Je gaat het pas zien als je het door hebt.”
Het schilderij Unlock staat dus op mijn ezel en vraagt mijn aandacht. Ik zie er, nadat het al een tijdje klaar is, een aantal zaken in die ik er niet bewust in heb gelegd, maar die wel passen bij mijn intentie met dit schilderij. Wonderlijk. Ik weet niet goed hoe ik dit moet duiden. Is mijn on(der)bewustzijn erg actief geweest tijdens het maken van dit schilderij waardoor er een aantal zaken zijn verschenen die ik niet bewust heb aangebracht maar wel zijn ontstaan en wonderwel passen? Of ken ik echt achteraf pas betekenis toe aan zaken die oorspronkelijk die betekenis helemaal niet hadden? Ik weet het niet. Maar dat datgene wat ik er nu in zie, goed past bij mijn state of mind van de laatste weken en maanden, vind ik frappant.

Unlock
Erie Merkus: Unlock

Ik zie in de huid van mijn romp kleuren die een ongezonde indruk geven: blauwe, paarse en grijze kleuren die de indruk geven dat ik letterlijk gekwetst ben. Ik krijg ook associaties met een lijkkleur. Ben ik te lang opgesloten geweest? Is mijn lichaam te lang bedekt geweest? Is er een gebrek aan gezonde buitenlucht zichtbaar?
Ik zie een blik, met grote ogen, die verbazing, verwondering, angst, onwennigheid uitdrukt. Die blik wordt versterkt door de totale houding: de schouders opgetrokken en iets naar achteren, waardoor er iets geschrokkens, iets angstigs, iets terughoudends ontstaat.
Ik zie een mens die opstijgt uit mist, die verrijst uit een zekere wazigheid, uit een onduidelijk geheel. De houding is naar boven gericht. Op weg naar een nieuw leven, een nieuwe werkelijkheid? Waarin zaken opnieuw duidelijk worden?

Zie ik de wereld, na een periode van gedwongen lockdown, als iets nieuws? Zie ik zaken die ik daarvoor niet gezien heb? Zie ik een veranderde wereld die ik nog niet ken? Is dit het nieuwe normaal?
Dat zijn zo van die vragen die bij mij opkomen. Wat levert deze periode ons op? Eerlijk gezegd weet ik het nog niet. Ik kan wel van alles gaan roepen, zoals dat social distancing juist heeft gezorgd voor méér contact tussen mensen. Of dat we ons nu realiseren dat het oude normaal helemaal niet zo normaal was, en dat het vanaf nu echt anders zal gaan bijvoorbeeld in onze omgang met elkaar, maar ook met ons milieu.
Het is nog helemaal niet duidelijk wat de effecten van de corona-crisis op lange termijn zullen zijn. Leren we echt van deze crisis en gaan we dingen anders doen? Of schieten we, zodra het maar even kan, terug in onze oude gewoonten en reflexen?
Ik denk dat het te vroeg is om daar nu al iets zinnigs over te zeggen. Het is goed om een aantal van dit soort zaken expliciet te maken en bespreekbaar te maken. We zullen later pas zien welke effecten er echt zijn opgetreden. De tijd zal het in zekere zin leren.
Om dit te zien is een zekere afstand nodig; afstand in tijd dus. Net zo goed als er afstand nodig was voordat ik mijn schilderij echt begreep. Reflectie vereist afstand. Reflectie leidt tot bewustzijn. “Je gaat het pas zien als je het door hebt.”

De paradox van social distancing

Het is een rare tijd. Raar omdat we dit in ieder geval in de westerse wereld na de middeleeuwen met zijn pestepidemieën nog nooit hebben meegemaakt. De Spaanse griep van begin 20e eeuw komt misschien nog het dichtst in de buurt. In verre oorden hebben ze helaas wel recente ervaringen met ebola, sars en andere narigheid.
In diverse landen wordt verschillend omgegaan met het onder controle krijgen van het virus: van een redelijk totale lockdown, tot wat we in Nederland zijn gaan noemen een “intelligent lockdown”. Een beetje een rare term. Alsof we willen zeggen dat ze in andere landen niet intelligent te werk gaan.
Een andere nieuwe term die verbonden is aan de “intelligent lockdown” is “social distancing”. Zo zie je maar dat deze ellende wel zorgt voor verrijking van de taal, ook al zijn het dan Engelse termen.
Social distancing: we schudden geen handen, houden anderhalve meter afstand (nog zo’n nieuw woord: de “anderhalvemetersamenleving”), we gaan niet bij elkaar op bezoek, we werken zoveel mogelijk thuis, gaan niet naar buiten om te recreëren, maken geen onnodig gebruik van openbaar vervoer, etc.
Er zit uiteraard iets tegennatuurlijks in social distancing. De mens is een sociaal wezen dat zich ontwikkelt en tot wasdom komt in contact met andere mensen, een enkele kluizenaar daargelaten. We willen helemaal geen social distancing, we willen samen zijn met degenen die ons dierbaar zijn. Maar het is een belangrijk en wellicht ook het enige middel om het virus onder controle te krijgen, waarna we ons weer volop in het sociale leven kunnen storten, hoewel dat laatste na deze pandemie er echt anders uit zal gaan zien. Hoe, dat weet nog niemand. Er wordt wel nagedacht of en hoe we weer met elkaar kunnen omgaan, of en hoe we weer uit eten kunnen gaan, of en hoe we weer op vakantie kunnen gaan, of en hoe we weer naar theaters en concerten kunnen, of we elkaar straks nog mogen zoenen en omhelzen, enzovoorts.
Nu we allemaal aan huis gebonden zijn, moeten we opnieuw nadenken over hoe we onze dagen doorbrengen, hoe we met onze huisgenoten omgaan als we niet gewend zijn om 24 uur op elkaars lip te zitten, hoe we ons voorbereiden op een naar verwachting aanzienlijke periode die de intelligent lockdown nog duurt. De vanzelfsprekendheden waarmee we ons leven inrichtten, zijn plots verdwenen. Niets is meer helemaal zeker, en zelfs dat niet.
Het doet enigszins denken aan de situatie waarin de westerse mens in de moderne tijd terecht is gekomen, waar steeds minder van je bestaan wordt bepaald door tradities, afkomst, familieverbanden, religie en nog wat van die dingen. De moderne mens moet veel zelf uitzoeken. Sartre noemt dat “geworpen zijn in de vrijheid”. Die vrijheid heeft zo zijn voordelen, maar voor de meeste mensen valt dat helemaal niet mee. Hoe ga je met die vrijheid om? Hoe bepaal je wat je wil doen in het leven? Hoe ga je om met de maatschappelijke druk om authentiek te zijn, om een interessant leven te leiden? Hoe ga je om met voor- en vooral tegenspoed? De moderne mens moet het allemaal maar zelf uitzoeken. Een hele opgave. Je kunt je als mens dus knap eenzaam voelen in deze nieuwe situatie.

Erie Merkus: Sleeper in metropolis IV (2014)

Eenzaamheid is ook nu aan de orde. In de eerste plaats in verpleeghuizen en andere zorginstellingen, waar bezoek verboden is of in ieder geval tot het minimum beperkt. Maar ook zelfstandig wonende ouderen die verstoken blijven van bezoek van kinderen en kleinkinderen. En niet te vergeten die hele hordes “gewone mensen” die niet heel royaal in de sociale contacten zitten.
Maar deze epidemie heeft ook een andere kant. Er is nog nooit zoveel getelefoneerd, geskyped, gefacetimed, gezoomd, geteamd (aha, weer twee nieuwe woorden), gewhatsapped dan in de tijd van social distancing. We zoeken andere manieren om met elkaar in contact te blijven. We ervaren, nu de meeste contacten fysiek niet meer mogelijk zijn, hoe belangrijk die contacten zijn. Het sociale in ons laat zich niet temmen.
Mijn partner en ik hebben in de laatste weken van heel dichtbij mogen meemaken hoe goed mensen voor elkaar zorgen in deze lastige tijd. Allebei gevloerd door vermoedelijk het vermaledijde virus (we zijn gelukkig allebei weer redelijk opgeknapt) werden we overspoeld door lieve buren die zorgden voor de boodschappen en avondmaaltijden, door bloemen, kaartjes, berichtjes en telefoontjes van familie, vrienden, bekenden en collega’s. Voorzichtig zou je kunnen zeggen dat Rutger Bregman gelijk heeft als hij in zijn fascinerende boek “De meeste mensen deugen” betoogt dat juist in tijden van crisis het beste in de mens naar boven komt, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt dat dan het beest in ons tevoorschijn komt.
Ook van anderen hoor je dat de saamhorigheid toeneemt. Wat een mooie maar toch ook wel een beetje wrange paradox: als contact bemoeilijkt wordt, groeien we meer naar elkaar toe.
Ik schreef hierboven dat we moeten nadenken hoe ons leven er na de intelligent lockdown uitziet. Laat ik aan het genoemde rijtje toevoegen dat we moeten nadenken over hoe we de nu ontstane nieuwe saamhorigheid en verbondenheid kunnen vasthouden. Laten we nu maar zeker in de toekomst wat meer naar elkaar omkijken. Dan zullen we blijvend ervaren dat we er in het leven niet alleen voorstaan.

Mijmeren aan een meer

Rust, rust en nog eens rust. Dat is wat het Zweedse landschap naar mij uitstraalt. Op mijn eerste reis door nog maar een heel klein stukje van dit immense land, ben ik onder de indruk van de eindeloos lange wegen, de immense bossen en de ontelbare meren. De dorpjes zijn stil. Een zoektocht naar een leuke plek voor een kop koffie, een gezellige lunch of avondeten, draait onherroepelijk uit op een teleurstelling. Er lijkt niets te beleven. Om die teleurstellingen te voorkomen, zit er niets anders op dan je verwachtingen bij te stellen en je over te geven aan wat dit prachtige land wel te bieden heeft.
Al mijmerend aan de rand van één van de vele meren, vraag ik me af hoe het leven van de gemiddelde Zweed eruit ziet. Het is natuurlijk zeer aanmatigend om na een kleine twee weken in dit land doorgebracht te hebben te beweren de Zweedse volksaard te kunnen doorgronden, zo die al bestaat. De meeste Zweden die ik ontmoet heb, zijn vreselijk aardig. De begroeting “hej-hej” die doorgaans gebezigd wordt, klinkt oprecht vriendelijk, lief zelfs.
De Zweden lijken me een tevreden volk. Ik kan me daar, zo aan de rand van dit meer en genietend van het uitzicht en de rust, alles bij voorstellen, hoewel de gemiddelde Zweed ongetwijfeld meer doet dan alleen maar zitten aan de rand van een meer.

IMG_8560_1200WM
Ik betrap me er tijdens deze weldadige rust op dat ik ook nadenk over alles wat ik na deze vakantie zou willen doen. Ik heb uiteraard weer teveel plannen, gezien de beschikbare tijd waarbinnen ik die plannen wil uitvoeren. Dat nadenken is niet vervelend, maar staat wel in schril contrast met de rust die ik ook volop wil ervaren. Ik besluit om van twee walletjes te eten.
Ik vraag me toch af hoe de Zweden hun leven invullen. Voor zo ongeveer alles wat je wil doen moet je kilometers rijden. Alle voorzieningen zijn per definitie ver weg. Hoe kom je in een andere omgeving dan de rustgevende natuur? Een omgeving die je nieuwe prikkels geeft, die je op nieuwe ideeën brengt, die je uit je comfortzone sleurt?
Maar misschien willen de Zweden dat helemaal niet. Hebben ze geen behoefte aan een andere omgeving. Hebben ze meer dan genoeg aan de prachtige, rustgevende natuur. Prikkelarm, zou ik bijna zeggen, maar daarmee doe ik dat landschap onrecht aan. Je overgeven aan de prikkels die de omgeving wel te bieden heeft, geen verwachtingen hebben die in dat land toch niet uit zullen komen, leren leven met wat het leven daar op die plek je wel te bieden heeft, geen plannen maken die je niet waar kunt maken, niet alleen omdat de tijd je ontbreekt, maar ook omdat de omgeving je daarvoor niet de juiste randvoorwaarden biedt.
Het begint zowaar een beetje op mindfulness te lijken, terwijl degenen die mij een beetje kennen, zullen weten dat deze manier van denken ver van mij afstaat.
Zweden heeft mij goed gedaan: rust gebracht. Wat wil je ook op zo’n prachtige plek zoals op de foto. Maar Zweden heeft mij ook bevestigd in het feit dat je omgeving in zekere zin bepalend is voor hoe je leven eruit ziet, voor wat je wel en niet kunt doen.
Je kunt er voor kiezen om in die omgeving te blijven, maar je kunt ook elders je heil zoeken. Gelukkig kun je als mens zelf je omgeving kiezen, en zo de voorwaarden creëren voor datgene wat je wil doen in je leven. En om daarover te mijmeren. En waar kan dit beter dan aan zo’n mooi meer.

Gestuntel in Veenhuizen

Verbazingwekkend hoe snel een plek gaat voelen als thuis. Tweede thuis weliswaar, maar goed… Vorig jaar omstreeks deze tijd zat ik hier ook, in het vakantiehuisje “De consistorie” aan de rand van het gevangenisdorp Veenhuizen.

Ik heb mijn verblijf hier vorig jaar voornamelijk gebruikt om eens op een rijtje te zetten hoe mijn leven eruit zou kunnen gaan zien als ik over een paar jaar stop met betaald werk. Het resultaat hiervan staat nog steeds mooi op een rijtje, dus met dat vraagstuk hoef ik me nu niet uitputtend mee bezig te houden. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat ik meer plannen heb dan dat ik tijd zal hebben. De kunst zal dus met name zijn om deze plannen allemaal ten uitvoer te brengen, met daarbij voldoende tijd voor het mij zo dierbare lummelen, het zalige nietsdoen.

Sinds twee dagen zit ik dus weer in de Consistorie, het tot vakantieverblijf omgetoverde voormalige verblijf van koster en kerkenraad van de hiernaast gelegen achthoekige hervormde kerk. Je kunt jezelf een slechtere plek toewensen om zo je gedachten te laten gaan over de zin van het leven. Maar ook om lekker naar muziek te luisteren, te lezen, te tekenen en te schilderen en een stukje te schrijven.

Het is de laatste dag van de maand van de filosofie. Het laatste nummer van het tijdschrift Filosofie Magazine maakte dus deel uit van mijn reisbagage. Het thema van de maand van de filosofie en ook van het tijdschrift is “stuntelen”. Diverse filosofen en andere geleerde types, steken in dit tijdschrift vanuit diverse invalshoeken de loftrompet af over stuntelen, onder meer als tegenwicht tegen de druk die veel mensen ervaren om te presteren, om succesvol te zijn, om een flitsend leven te hebben om daar op social media blijk van te geven. Deze druk staat werkelijk geluk in de weg. We moeten maar eens erkennen dat het niet altijd rozengeur en maneschijn is en dat het leven voor een groot deel bestaat uit gestuntel. Door schade en schande wordt men wijs, je leert met vallen en opstaan, van zijn fouten leert men, zijn van die zegswijzen die de waarde van het gestuntel onderschrijven. “Het leven is een gedoetje”, zei de voormalig denker des vaderlands René Gude.

En toch heb ik het idee dat de scribenten van de diverse stukjes een beetje doorslaan in hun verheerlijking van het gestuntel. Natuurlijk moet je niet bang zijn om fouten te maken, kun je niet alles perfect doen. Maar hoe leg ik aan professionals in de jeugdhulp, mijn werkveld, uit dat ze maar wat aan moeten stuntelen? Jeugdigen die het om wat voor reden dan ook wat minder hebben getroffen en op de hulp van deze professionals zijn aangewezen, hebben het recht op de best mogelijke hulp. De professionals zijn het aan deze jeugdigen verplicht om hun stinkende best te doen en om gestuntel zoveel mogelijk te voorkomen. Uiteraard blijft het mensenwerk, er zullen altijd fouten worden gemaakt, maar het is belangrijk dat je achteraf kunt uitleggen dat je, ondanks je gemaakte fouten, je best hebt gedaan.

Je best doen, met “best” als de overtreffende trap van “beter”. Je bent het volgens mij niet alleen aan de ander verplicht, maar ook aan jezelf. Je doet jezelf tekort als je niet het beste van je leven probeert te maken, je uiteraard rekenschap gevend van het feit dat je niet alles in de hand hebt. Er zijn omstandigheden waar je geen invloed op hebt. Maar waarom zou je, binnen die gegeven omstandigheden, er niet het beste van maken. Wie wordt er beter van als jij niet je best doet? Jijzelf in ieder geval niet!

Ruimte geven aan gestuntel, niet bang zijn om fouten te maken. Natuurlijk zijn dit belangrijke zaken. Als je iets niet probeert, weet je immers zeker dat het niet lukt. En succes is niet verzekerd! De meeste dingen in het leven moeten we leren, en dat gaat zoals hierboven als gezegd met vallen en opstaan. Succes komt niet vanzelf, daar moet je je best voor doen.

IMG_2271 (1)

Dit zijn ook waardevolle gedachten in mijn verblijf hier in Veenhuizen. Een verblijf waarbij ik even stilsta, nadenk over waar het naartoe moet met mijn leven, wat ik kan, wat ik niet kan, wat ik nog zou willen leren. Niet dat dat nu zoveel oplevert. Zoals ik hiervoor al schreef, hebben de resultaten van dit denkproces van vorig jaar nog volop hun waarde. Maar een continue herijking hiervan vind ik belangrijk. De reis is ook in dat verband belangrijker dan de bestemming.

En ondertussen geniet ik hier volop van de rust, van mooie muziek, van boeiende boeken en van de heerlijke biertjes van brouwerij Maallust. En van het tekenen van mezelf, als verbeelding van mijn zelfonderzoek.

Amor fati: omarm je lot!

Onlangs zag ik een interview met de abt van de abdij van Orval. Lekker bier maken ze daar trouwens! De abt verwees naar de Dalai Lama die heeft gezegd dat een probleem pas een probleem is als je het kunt oplossen. Als je het niet kunt oplossen is het geen probleem maar een gegeven. Een interessante gedachte. Zo origineel is die gedachte trouwens niet. De stoïcijnen vonden ook al dat je je niet druk moest maken over zaken waar je geen invloed op hebt, die je niet kunt oplossen dus. En er is een klein legertje filosofen, van kerkvader Augustinus tot Nietzsche, dat zei dat je je lot moest aanvaarden, omarmen, liefhebben zelfs.
Maar origineel of niet, het blijft een interessante gedachte, omdat die aangeeft waar je je druk over moet maken en waarover niet.
Het einde van het jaar is de tijd van de lijstjes en goede voornemens. Bij mij hebben de goede voornemens niet alleen betrekking op het nieuwe jaar, maar ook op de periode die in het oude jaar al begint: de kerstvakantie. Het is een gegeven dat mijn lijstje van voorgenomen activiteiten altijd langer is dan de vakantie zelf. Een gegeven, dus maak ik me er niet druk over dat ik niet al mijn voornemens in daden kan omzetten. Een paar voornemens kan ik inmiddels doorstrepen, of bijna. De keuken heeft een grote beurt gehad, ik heb wat geschilderd, gekookt voor en lekker gegeten en gedronken met vrienden en familie. Het boek “Goede mannen” van Arnon Grünberg is bijna uit.
Van het lijstje met te bezoeken tentoonstellingen kan ik alleen “Bloot – het kwetsbare lichaam” in museum Kranenburgh in Bergen doorstrepen. Gezien mijn fascinatie voor het naakte bestaan, was een reisje naar Bergen een must.
De tentoonstelling laat zien hoe het kijken naar bloot verbonden is aan het kijken naar de wereld. “In de jaren ’60 stond bloot voor vrijheid en puur natuur. Hoe verhoudt de nieuwe preutsheid zich tot de grenzeloze openheid van het internet? Staat bloot nog wel voor open en eerlijk”, aldus een passage van de introductietekst bij de tentoonstelling.
De expositie viel mij eerlijk gezegd een beetje tegen. De woorden die werden gebruikt om de tentoonstelling in te leiden, waren groter dan de geëxposeerde werken waarmaakten. Er was weinig bloot te zien. Niet dat dat per se moet, maar ik had het toch wel een beetje verwacht. En bij veel van de werken was de relatie met het thema ver te zoeken. En dat is natuurlijk belangrijker dan het ontbreken van de nodige dosis naakt.
Het boeiendst was nog dat men uit hun vaste collectie, van schilders van de Bergense school een aantal schilderijen had geselecteerd, die een relatie met de tijdelijke expositie weerspiegelden, en die de worsteling lieten zien van de Bergense kunstenaars met de maatschappelijke acceptatie van het weergeven van naakt.

matthieu wiegman, susanna
Matthieu Wiegman: Susanna

Ik heb al met al geen spijt van mijn reisje naar Bergen. Het zet mij weer aan het denken over wat ikzelf wil in mijn kunst, waarin het naakt ook een centrale plek inneemt. En natuurlijk hoef je in je leven niet alleen dingen te doen, waarvan je van te voren weet dat die een doorslaand succes zullen worden. Je moet af en toe een gokje wagen, nietwaar? Je moet ook open staan voor iets wat je nog niet kent. En als het dan tegenvalt, is dat kennelijk je lot. Ik aanvaard het met liefde: “amor fati”!
Iets wat ik ook nog niet ken, maar wat ik toch eigenlijk altijd wel had willen doen, is de Nieuwjaarsduik. Dit jaar, nee volgend jaar, aanstaande 1 januari dus, gaat het gebeuren. In mijn omgeving lopen de reacties uiteen van “leuk, stoer, dapper” tot “jij bent echt gek”. Ik ga het toch doen. Ik weet niet hoe het koude water me gaat bevallen, maar dat zie ik dan wel weer. Als het me tegenvalt, is dat een gegeven, geen probleem. En uiteraard is mijn Nieuwjaarsduik bloot.
Ik wens jullie een goede jaarwisseling en alle goeds voor 2019!

Parallel III: Over het individu als onderdeel van een gemeenschap

In mijn vorige blog schreef ik over de verhouding tussen het individu en de gemeenschap waartoe dat individu behoort. Thomas Mann schrijft daarover in zijn roman De Toverberg. De patiënten in het sanatorium op de berg bij Davos vormen een gemeenschap waarbij het gezamenlijke ziek zijn hen onderscheidt van de mensen “daar beneden”. Tegelijkertijd verschillen de patiënten enorm van elkaar.
Onderweg van onze kampeerplek in het natuurpark de Brenne, een stuk ten zuiden van Parijs, naar onze volgende plek net onder Limoges, stuitte mijn reisgenote, in haar reisgids op zoek naar bezienswaardigheden onderweg, op het plaatsje Oradour-sur-Glane.
Wij hadden nog nooit van dit plaatsje gehoord. Gezien de gebeurtenissen die zich hier hebben afgespeeld, is dat anders in Frankrijk. Op 10 juni 1944 vond er namelijk een enorme massaslachting plaats onder de bevolking van dit dorpje. 642 mensen werden door de nazi’s vermoord, slechts zes mensen overleefden het bloedbad. Het dorpje werd volledig verwoest.
De aanleiding voor het bloedbad was waarschijnlijk een actie van het Franse verzet waarbij een nabijgelegen spoorbrug werd opgeblazen, maar helemaal zeker is dat niet.
Het dorp bevindt zich nog in dezelfde staat waarin het op de fatale dag belandde. Afgebrande en gebombardeerde huizen, restanten van auto’s in de straten, het is pijnlijk voelbaar wat voor drama zich hier heeft afgespeeld.

oradour.jpg
Het dorpje is toegankelijk via een monument en een klein museum waarin de achtergronden van het dorp en de gebeurtenissen in de oorlog zichtbaar zijn gemaakt. Borden manen de bezoekers tot stilte, maar die borden zijn overbodig. Op een dergelijke plek word je vanzelf stil.
In één ruimte van het museum zijn kleine portretten te zien van de meeste mensen die zijn omgekomen. Men heeft hiermee de slachtoffers hun identiteit willen teruggeven, waardoor zichtbaar wordt dat het abstracte en onvoorstelbare getal van 624 uit evenzovele individuen bestaat. Tegen wil en dank zijn deze individuen door de gebeurtenissen voornamelijk als groep beschouwd. De inwoners werden door de ervaringen die ze niet konden navertellen, een gemeenschap met een gedeeld verleden. Het was mooi dat de portretten de slachtoffers hun individualiteit teruggaven.
Behalve deze parallel met de thematiek uit De Toverberg, drong de gedachte zich bij ons op dat er in onze tijd mensen zijn die iets soortgelijks meemaken: in Syrië en in andere brandhaarden van de wereld. We realiseerden ons dat de vluchtelingen uit Syrië maar weinig verschilden met de slachtoffers uit Oradour. Het verschil is dat de vluchtelingen uit Syrië nog leven en de gelegenheid hebben om elders een nieuw bestaan op te bouwen. Als je in Oradour in al je vezels voelt wat zich daar heeft afgespeeld, kun je eigenlijk niets anders dan andere mensen die voor een dergelijke terreur vluchten, een warm welkom bieden.

Parallel II: Over het leven op een berg

Er schijnt een lijst te bestaan van boeken die je gelezen moet hebben. En uiteraard ook van de plaatsen die je bezocht moet hebben, films die je gezien moet hebben, etc. Ik ben niet zo van dit soort lijstjes. Het woord bucketlist is mij vreemd. Het “moeten” bij dit soort lijstjes staat mij tegen. Ik moet helemaal niets. Ik wil wel een heleboel. Maar ik laat me niet opjagen; ik doe de dingen in mijn eigen tempo. Ik ga wel in een soort continu proces bij mezelf na wat ik nog meer zou willen. Ik heb daar al vaker over geschreven.
En stel je voor dat je je bucketlist hebt afgewerkt, wat dan?
Eén van de boeken die ik nog zou willen lezen, was De Toverberg van Thomas Mann. Dit boek wordt wel beschouwd als het schoolvoorbeeld van de filosofische roman, een genre dat mij wel ligt. Ik ben er in mijn vakantie dapper aan begonnen.

In De Toverberg vertrekt de jonge Hans Castorp naar het hooggelegen Davos om daar zijn neef te bezoeken die in het plaatselijke sanatorium verblijft vanwege een longaandoening. Hij voelt zichzelf ook niet helemaal topfit, dus een time-out in de heilzame lucht van Davos is mooi meegenomen. Maar al snel blijkt dat hij zelf ook zieker is dan hij zich heeft gerealiseerd waardoor zijn verblijf in het sanatorium aanzienlijk wordt verlengd. Hij wordt zo van slechts een bezoeker, een buitenstaander, al snel één van de patiënten.
Het is een bont gezelschap, daar op die berg: een afspiegeling van de diversiteit in de toenmalige Europese samenleving, met personages die staan voor verschillende denkwijzen die de Europese cultuur destijds liet zien. Het levert boeiende gesprekken tussen de personages op en minstens even boeiende bespiegelingen van Thomas Mann zelf over de “condition humaine” aan het begin van de twintigste eeuw.
Maar los van de diversiteit is er een minstens even grote bindende factor tussen de patiënten in het sanatorium: men is ziek, weliswaar in verschillende gradaties, maar het verschil tussen de zieken op de berg en de gezonden “daar beneden” wordt breed uitgemeten. Men voelt een lotsverbondenheid met elkaar waardoor het verblijf op de berg enigszins geïdealiseerd wordt en waardoor er een tegenstelling ontstaat tussen “wij hier boven” en de rest van de mensheid. Het is een boeiende metafoor voor de vraag in hoeverre je als mens een individu bent en hoe je je verhoudt tot de gemeenschap waartoe je behoort.

In mijn vorige blog schreef ik over een aantal zaken die mij tijdens de afgelopen vakantie waren opgevallen. Trouwe lezers van mijn blogs weten dat ik een fervent naturist ben. De zomervakantie wordt dan ook redelijk standaard doorgebracht op naturistenterreinen. Zo ook de afgelopen vakantie.

douche Manoque
Een tweetal terreinen die ik bezocht, bevonden zich boven op een berg. De parallel tussen mijn verblijf “op zekere hoogte” en het boek dat ik aan het lezen was, drong zich al snel aan me op.
Ik hoef de belangrijkste overeenkomst tussen de mensen die zich op naturistenterreinen bevinden, denk ik niet uit te leggen. Maar op het gevaar af dat ik enigszins generaliseer, valt mij altijd op dat, naast de ongeklede toestand, de mensen altijd zeer aardig en vriendelijk zijn, rekening houden met andere mensen, geen rommel achterlaten etc. De mensen op de berg vormen in die zin ook een gemeenschap, die zich kenmerkt door een bepaalde gezamenlijke levenshouding. Het was daar ook een soort van “wij hier boven en zij daar beneden”.
Maar tegelijkertijd zijn het “gewone mensen”, waarbij niets menselijks hen vreemd is. Ik breng de favoriete spreuk van Michel de Montaigne nog maar even in herinnering.
Daarmee zijn de verschillen tussen de mensen natuurlijk net zo groot als de overeenkomsten. Die verschillen die zijn er: in leeftijd, in geslacht, in lichamelijke gesteldheid en verschijningsvorm, maar ook in maatschappelijke positie. Het mooie is dat keer op keer blijkt dat de overeenkomsten vele malen belangrijker zijn dan de verschillen.
Het was mooi op beide bergen!

Parallel I: Over het afstand nemen van het dagelijkse leven

Hoogmoed komt voor de val. Maar valse bescheidenheid vind ik toch ook niet heel fijn. Ik zwiepte een beetje heen en weer tussen deze gedachten toen mij in de vakantie die net achter me ligt een paar zaken opvielen. Op het gevaar af dat u mij een aanmatigend persoon vindt, schrijf ik er toch maar iets over op; in dit stukje en in de twee stukjes die nog volgen.

Ik bezocht een dag of wat geleden de toren waar Michel de Montaigne ruim dertig jaar van zijn leven doorbracht en waar hij zijn gedachten vormde en aan het papier toevertrouwde. Een bijzondere man, die Michel. Als telg van een welgestelde familie was hij al rechter in Bordeaux toen hij nog maar net twintig was. Een klein aantal jaren later werd hij benoemd tot burgemeester van Bordeaux.
Nadat hij vier jaar dit ambt bekleed had, trok hij zich terug uit het openbare leven en nam zijn intrek in de toren van het kasteel op het landgoed dat hij had geërfd, ergens tussen Bordeaux en Bergerac. Hij zou de toren gedurende de resterende ruim dertig jaar van zijn leven niet of nauwelijks verlaten.
Het was bijzonder om de vertrekken te zien waar Montaigne woonde en schreef: zijn slaapkamer, zijn kleedkamer, zijn werkkamer waar zich ook zijn bibliotheek van ruim duizend boeken – een gigantisch aantal voor die tijd – bevond. In zijn werkkamer bevonden zich teksten op het plafond. Michel schijnt al lopend door zijn werkkamer de blik veelvuldig omhoog te hebben gericht om zich door deze teksten te laten inspireren. De tekst die hem het meest na aan het hart schijnt te hebben gelegen is: “Ik ben een mens, niets menselijks is mij vreemd”, een uitspraak van Publius Terentius Afer. Dat Montaigne een humanist was, wordt daarmee direct duidelijk.
Een mooi voorval tijdens de rondleiding die wij kregen. We bevonden ons met de rest van het gezelschap – een mens of 20, schat ik zo in – in de kleedruimte. De ruimte was net groot genoeg om dit gezelschap te herbergen. Plotseling werden we opgeschrikt door een rondvliegend wezen: een heuse vleermuis. Onze gids schrok in het geheel niet van het diertje en deed een stap opzij om de vleermuis vrije toegang te verlenen tot de schouw waarin hij kennelijk zijn verblijfplaats had. Een minuut of wat later kwam nummer twee die dezelfde gang naar de schouw maakte. Prachtig!

toren van Montaigne.jpg

Ik had mij, voordat ik wist dat wij in de buurt van de toren zouden komen, voorgenomen om mijn vakantie een filosofisch tintje te geven. Ik had De Toverberg van Thomas Mann als belangrijkste lectuur meegenomen. Nu ben ik een langzame lezer en ik hou van nietsdoen, zeker tijdens de vakantie. Deze combinatie maakte dat ik het dikke boek lang niet uit heb gekregen, maar ik heb toch een behoorlijk begin gemaakt. Wat een rijk boek! Ik kan het iedereen aanraden.
Ergens in de eerste hoofdstukken schrijft Mann over het feit dat je altijd een zekere tijd nodig heb om te acclimatiseren in een nieuwe omgeving. Dit is voor de hoofdpersoon Hans Castorp natuurlijk een belangrijk onderwerp, aangezien hij zich vanuit het laaggelegen Hamburg naar het hooggelegen Davos begeeft, ver van de hem bekende en vertrouwde wereld. In het sanatorium hebben de bewoners een eigen subcultuur gecreëerd, waarin zij (“wij hierboven”) zich enigszins afzetten ten opzichte van de rest van de wereld.
In een betoog over tijdsbesef schrijft Mann: “Wij weten heel goed dat het inlassen van periodes, waarin wij ons gewennen aan andere en nieuwe gewoontes, het enige middel is om ons leven tegen te houden, ons tijdsbesef op te frissen, een verjonging, versterking en vertraging van onze tijdsbeleving en daarmee de vernieuwing van ons levensgevoel in het algemeen te bewerkstelligen.”
Ik moest bij het lezen van deze passage denken aan de filosoof Peter Bieri, die in zijn onder het pseudoniem Pascal Mercier geschreven roman Nachttrein naar Lissabon zijn hoofdpersoon van het ene op het andere moment alle schepen van zijn saaie leven achter zich laat verbranden om op een volstrekt onbekende plek op zoek te gaan naar nieuwe inspiratie voor zijn leven.

En hoe zit dit dan bij Montaigne? Hij trok zich terug in zijn toren op zijn eigen landgoed, een omgeving die hem vertrouwd was. Hij hoefde niet te acclimatiseren en had ook geen nachttrein naar Lissabon nodig. Wel had hij behoefte om afstand te nemen van het leven wat hem tot dan toe in beslag had genomen, met veel politiek gedoe, oorlogen en conflicten. Dit was zijn “sleur“ waarvan hij afstand moest nemen om zijn gedachten te vormen over datgene waar het volgens hem in het leven echt om gaat.

Lezers van mijn blogs weten dat ik een paar maanden geleden een kleine week in mijn eentje heb vertoefd in Veenhuizen. De auto ernaartoe was mijn nachttrein, mijn vakantiehuisje was mijn toren. Ik had afstand en afzondering nodig om over de koers van mijn leven na te denken, de ingeslagen koers te herijken. U begrijpt nu waarom ik dit stukje begon zoals ik het begon. Het kan nogal arrogant overkomen dat ik mezelf vergelijk met Montaigne en Mann. Ik kan natuurlijk niet in de schaduw staan van deze grote denkers en schrijvers. Maar wat ik wil zeggen is dat ik zelf maar weer eens ervaren heb hoe waar het is dat je af en toe een nieuwe omgeving nodig hebt, met nieuwe ervaringen en inzichten, maar ook een zekere afzondering om deze ervaringen en inzichten te verwerken en te vertalen naar de betekenis daarvan voor je eigen leven.

Elke vakantie heeft op deze manier wel trekjes van een nachttrein naar Lissabon, of in dit geval een autotocht naar de toren van Montaigne.
De Toverberg is nog niet uit. Maar deze klus ga ik nog wel klaren, hoewel ik wel ervaren heb dat een zekere rust en een zekere afstand van de dagelijkse beslommeringen wel nodig is om de volle betekenis van dit rijke boek tot je te laten doordringen.

Resetten in Veenhuizen, the sequel

Een week geleden vertoefde ik in een prachtig huisje in Veenhuizen. Ik was daar alleen. Tijd voor mezelf om te lezen, naar muziek te luisteren, het Gevangenismuseum en de bijzondere geschiedenis van Veenhuizen tot me te nemen, te schilderen en om na te denken.
Nadenken over mijn leven. Gaat het nog goed? Wil ik iets veranderen? Hier was geen directe aanleiding toe. Maar ook zonder directe aanleiding vind ik het belangrijk om me op gezette tijden dit soort vragen te stellen. Voor je het weet hobbel je door op een pad dat je ooit bent ingeslagen en kom je erachter dat dit pad je niet brengt waar je wil zijn. Het is daarom goed om af en toe stil te staan en om na te gaan of je nog wel op het juiste pad bent. In vroeger tijden en nu nog worden mensen naar Veenhuizen gestuurd om ze weer op het rechte pad te krijgen, maar dat is een ander verhaal.

Ik heb een heerlijke week gehad. Ik had met mezelf afgesproken dat het geen ramp zou zijn als er niets van mijn voornemens voor die week terecht zou zijn gekomen.
Maar de week heeft me gebracht waar ik naar op zoek was, voor zover je van “op zoek” kunt spreken. Nogmaals, er was geen directe aanleiding.

bare existence
Erie Merkus: Bare existence (in wording)

Ik heb voor mezelf op een rijtje gezet wat ik zoal gedaan heb en nog doe in mijn leven, en eerlijk gezegd schrok ik daar een beetje van. In positieve zin dan. Ik heb altijd gevonden dat ik me niet in één richting moest ontwikkelen, maar dat ik meerdere kanten van mezelf moest ontwikkelen. Ik ben tot de conclusie gekomen dat dat tot nu toe aardig gelukt is: ik vind dat ik leuk en belangrijk werk heb, ik schilder, ik doe/deed veel aan muziek, actief en passief, ik lees, ik schrijf, en zo nog wat meer van die dingen.
Ik doe veel, maar ik denk er ook veel over na wat ik doe. Doe ik wel de juiste dingen, zijn er niet andere dingen die ik ook nog wil doen, enz. (Je zou er bijna moe van worden!)
Die laatste vragen brengen af en toe nogal wat onrust met zich mee. Een continu onbehaaglijk gevoel dat ik misschien niet de juiste dingen doe en dat er meer in me zit dan eruit komt.
Behalve dat ik tot de conclusie kwam dat ik wel degelijk de juiste dingen doe, heb ik ook besloten dat ik het niet erg vind dat ik altijd dat onrustige gevoel heb. Dit gevoel houdt me scherp, houdt me alert, om die vragen te blijven stellen waarmee ik dit stukje begon. Dit gevoel zorgt er ook voor dat ik niet zelfgenoegzaam word, en dat ik teveel ga opscheppen over hoe goed mijn leven wel niet is. Het kan altijd beter, ik wil altijd op zoek naar verbetering en ontwikkeling.
Ik moet het ook niet overdrijven; het onrustige gevoel is zeker niet allesoverheersend aanwezig, maar altijd wel ergens stilletjes op de achtergrond, als u begrijpt wat ik bedoel.
Ik kan dus weer een tijdje vooruit op het pad dat ik ben ingeslagen. Voorlopig is dit voor mij het juiste pad. Veenhuizen heeft me geen windeieren gelegd. Behalve deze inzichten was er ook prachtige muziek, goede boeken, heerlijke biertjes en natuurlijk een omgeving die tot contemplatie, tot nadenken over je eigen leven uitnodigt. Het kon slechter, zoals ze in het Noorden zeggen.

Resetten in Veenhuizen

Precies 200 jaar geleden werd in Drenthe een aantal “koloniën” gesticht, waarmee de oprichter met de beste bedoelingen aan mensen die het wat minder getroffen hadden in het leven, met name armoedige gezinnen uit de grote steden, een beter leven trachtte te geven. Het betere leven moest worden verkregen door een huisje in een groene omgeving, door een soort van heropvoeding, door noeste arbeid, door orde en regelmaat, en uiteraard door een godvruchtig leven. De koloniën werden bestierd door de Maatschappij van Weldadigheid, opgericht in 1818 door generaal Johannes van den Bosch.

Er waren vier zogenaamde vrije koloniën: Frederiksoord, Wilhelminaoord, Boschoord en Willemsoord. (Voor de fijnslijpers onder ons: Willemsoord ligt in Overijssel.) De koloniën worden wel beschouwd als het begin van de Nederlandse verzorgingsstaat. De kleine huisjes staan er nog steeds.

Naast de vrije koloniën waren er strafkoloniën, waar bedelaars en landlopers werden “opgevangen” en aan het werk werden gezet. Ook als bewoner van de vrije koloniën kon je in een strafkolonie terechtkomen, als straf voor drankmisbruik, ontucht, maar ook als je je niet hield aan de regels van de kolonie.

Veenhuizen was een dergelijke strafkolonie. Er waren drie “gestichten” waar de onfortuinlijken woonden. Het vierde gesticht was de begraafplaats.

Van de drie gestichten is er nog slechts één over. Er is nu het Nationaal Gevangenismuseum gevestigd. Het museum geeft een prachtig beeld van hoe we aankijken tegen afwijkingen van de norm en hoe dat in de loop van de tijd is veranderd. Ook de wijziging in de achterliggende gedachte achter straf (als vergelding, als bescherming van de maatschappij, als heropvoeding en resocialisatie) is prachtig in beeld gebracht. In Veenhuizen zijn op dit moment nog twee gevangenissen in gebruik: Esserheem en Norgerhaven.

De bewoners van de strafkolonie werden vroeger aan het werk gezet op de omliggende boerderijen en in allerlei bedrijfjes die zorgden voor de noodzakelijke voorzieningen in de kolonie. Veenhuizen was vroeger geheel zelfvoorzienend.

Een van de bedrijfjes die nog bestaan, is de brouwerij, Maallust geheten. Ik weet niet of het bier bestemd was voor de bewoners van de kolonie of voor het personeel. Ik denk het laatste. De bieren die er nu gebrouwen worden hebben illustere namen als Vagebond, Landloper en Zware Jongen.

Ook de namen op de gebouwen in de omgeving moesten bijdragen aan de heropvoeding van de bewoners: Kennis is macht, Leering door Voorbeeld, Werken is Leven, etc.

Ik las ergens dat je niet in Veenhuizen kwam als je er niets te zoeken had. Het is nog maar de vraag of diegenen die in de strafkolonie terechtkwamen, vonden dat ze er iets te zoeken hadden, maar dat terzijde.

Ik breng een kleine week door in de Consistorie: een tot vakantiehuisje omgetoverd gebouwtje naast de koepelkerk van Veenhuizen. Een weekje om even pas op de plaats te maken, om wat te mijmeren over de zin van het leven, om te lezen, misschien wat te schilderen, of zelfs niets van dat alles. Kortom, even een weekje rust.

v4

v2

v1

Heb ik hier iets te zoeken? Ik denk het wel. Ik weet alleen nog niet wat.

Zoeken is iets anders dan vinden. Ik weet nog niet wat ik hier zoek, laat staan of ik weet of ik het hier ga vinden. Het is zoiets als het gedicht van Vasalis over de reis naar Ithaka, waarbij de reis belangrijker is dan het doel.

Veenhuizen, de plek bij uitstek om je leven te herijken. Niet dat ik plotseling aan de bedelstand ben geraakt, of misstappen begaan heb, of aan de drank ben geraakt, en dat ik met een streng regime van tucht en orde terug op het rechte pad moet zien te geraken. Niets van dat alles. Ik verkeer in goeden doen. Desondanks, ik schreef er al vaker over, is het goed om op gezette tijden even stil te staan en opnieuw je koers te bepalen.

Ik ben benieuwd wat Veenhuizen me gaat brengen.