Toch een kerstwens, mede namens Immanuel Kant

“Als alle andere mensen uitkijken, dan komen wij veilig op onze plaats van bestemming.” Mijn moeder wilde zoiets nogal eens zeggen als zij samen met mijn vader in de auto op pad gingen. Andere mensen schrokken daar dan van en vonden het onverantwoord dat mijn ouders met een dergelijke instelling de weg op gingen. Ze hadden niet in de gaten dat mijn moeder een grapje maken. Ze wil wel eens gevat uit de hoek komen.
Degenen die mij een beetje kennen, weten dat ik niets heb met het christelijk geloof en dat van mij dus geen kerstwens te verwachten valt.
Ik heb wel een andere wens voor vandaag, namelijk dat iedereen de regels t.a.v. corona een beetje serieus neemt en naleeft. Volgens mij zijn er best wel veel mensen die vinden dat zij het maximum van drie bezoekers wel een beetje soepel mogen hanteren. Ze gaan er dan, denk ik, vanuit dat anderen zich wel netjes aan de regels houden. Zij zijn in hun ogen dan de uitzondering. Een houding die verdacht veel lijkt op de uitspraak van mijn moeder, maar dan serieus bedoeld.

De grote verlichtingsfilosoof Immanuel Kant hanteerde de stelling dat een leefregel die je voor jezelf hanteert, pas waarde heeft als je die ook op alle andere mensen van toepassing kunt verklaren. Hij noemde dit “het categorisch imperatief”. Goed bedacht van die Kant.
Ik hoop en wens van harte dat iedereen deze dagen een beetje veilig doorkomt, en dat we niet over een paar dagen moeten constateren dat dermate veel mensen zichzelf als een uitzondering hebben gezien en dat we dit terugzien in de cijfers.
Ik wens iedereen een fijne vrijdag en zaterdag!

Opruimactie II

In mijn vorige blog meldde ik dat een aantal zaken die ik aantrof in mijn grote opruimactie inmiddels een respectabele leeftijd had bereikt. Zo vond ik een felicitatiekaart die ik ooit van de ouders van mijn levensgezellin had gekregen. In die kaart bevond zich een gestreken bankbiljet. Ja, u leest het goed: het biljet was gestreken om het mooi glad te krijgen. Het betrof een biljet ter waarde van honderd gulden. Ja, u leest het wederom goed: honderd gulden. Aangezien de euro in Nederland is ingevoerd op 1 januari 1999, was deze felicitatiekaart dus minstens 20 jaar oud. Ik heb deze kaart goed bewaard, wat gezien de inhoud niet geheel onverstandig was. Verjaardagskaarten gooi ik toch doorgaans een aantal weken na het verstrijken van mijn verjaardag weg, behalve als het om mooie kunstkaarten gaat. Die bewaar ik. En in dit geval dus een kaart met een bijzondere inhoud.
De kaart is daarna aan mijn aandacht ontsnapt. Ik heb er nooit iets leuks, moois, nuttigs of lekkers van gekocht. Dat heb ik nog tegoed. Want een korte speurtocht op het internet leerde mij dat ik nog tot 2032 de tijd heb om dit biljet in te wisselen. Ik ga er zeker nog iets, leuks, moois, nuttigs of lekkers van kopen. Het object uit het verleden houdt zijn waarde voor de toekomst.

En zo is het met veel zaken die ik in mijn opruimwoede (nou, zo erg was het nou ook weer niet!) heb aangetroffen. Zaken die in een bepaalde fase van mijn leven de moeite van het bewaren waard waren. Het was fascinerend om in deze actie een groot deel van mijn leven voorbij te zien komen. Ik heb in de opruimactie het merendeel van de spullen, voornamelijk stapels papier, weggegooid. Dat wil niet zeggen dat ik daarmee mijn verleden ook naar de prullenbak heb verwezen. In tegendeel. Ik realiseerde mij, toen ik alles door mijn handen liet gaan, hoe deze zaken een belangrijke rol in mijn leven hebben gespeeld, en mij mede hebben gemaakt tot wie en wat ik nu ben. Alle ervaringen en gebeurtenissen, deels gematerialiseerd in spullen en documenten, neem je mee en vormen je tot wie en wat je bent.
Met de opruimactie maak ik de weg vrij naar een nieuwe fase in mijn leven, maak ik ruimte voor nieuwe activiteiten en ervaringen. Nieuwe activiteiten en ervaringen die niet uit de lucht zullen komen vallen, maar die voortkomen uit en voortbouwen op wat ik heb meegemaakt en gedaan, op zaken die mij hebben gemaakt tot wie ik ben. Deels heb ik deze zaken zelf in de hand gehad, maar deels ook niet. Het leven is volgens mij altijd een combinatie van die twee dingen. Maar ook bij de dingen die je niet zelf in de hand hebt, ben jij nog altijd degene die daar op een bepaalde manier mee omgaat. En die manier heb je dan wel weer zelf in de hand. Het is een interessante wisselwerking.
Mijn opruimactie vormt het scharnierpunt tussen mijn verleden en mijn toekomst. Het briefje van honderd gulden, een overblijfsel uit het verleden, biedt mogelijkheden voor mijn toekomst. Ik moet maar eens goed nadenken hoe ik dat bedrag, nadat ik het heb omgewisseld in euro’s, wil omzetten in iets dat deze overgang symboliseert. Het verleden houdt zijn waarde voor de toekomst.

Opruimactie

Het boek waaraan ik net ben begonnen, begint met een scene waarin de ik-figuur haar foto-albums verbrandt. Zonder al precies haar beweegredenen te doorgronden, lijkt het erop dat ze wil afrekenen met haar verleden. Die veronderstelling lijkt me niet zo moeilijk.
Ik moest daarbij onherroepelijk denken aan mijn opruimactie van vorig weekend. Zoals half Nederland werk ik al ruim een half jaar thuis. Mijn werkkamer annex schilderatelier is in de loop van de jaren verworden tot een verzamelplek van van alles waar ik zo gauw geen andere plek voor kon vinden. Om mijn bureau weer terug te brengen naar een plek waaraan je goed kunt werken, had ik een tijdje geleden al een aantal stapels papier naar de oud-papierbak verbannen. Nu was het tijd voor de tweede ronde.
Het opruimen stond ook wel in het teken van het naderende einde van mijn werkzame leven, waardoor allerlei zaken die verbonden zijn aan de vele banen die ik heb gehad, binnenkort een stuk van hun relevantie verliezen: ordners vol oude sollicitatiebrieven, mappen van vele congressen die ik heb bezocht en trainingen die ik heb gevolgd, en nog wat van die dingen.
De schoonveegactie had niets te maken met afrekenen met het verleden, wat in het genoemde boek hoogstwaarschijnlijk aan de hand is. Als het moment van afscheid van mijn werk daar is, kan ik terugkijken op een boeiende periode in mijn leven waarin ik veel heb geleerd en veel heb kunnen doen wat ik belangrijk vind: zowel voor mijn eigen leven, als voor de levens van mensen die het wat minder hebben getroffen in het leven en daardoor aangewezen zijn op zorg en ondersteuning. Ik heb daar met hart en ziel mijn steentje aan bijgedragen. Er valt dus niets om mee af te rekenen, maar wel veel om met genoegen op terug te kijken.
Los van deze werkgerelateerde zaken lagen er nog stapels post te wachten op een gang naar het oud papier, post die in een aantal gevallen een respectabele leeftijd had bereikt.
Het oudste stuk heb ik niet weggegooid, namelijk de uitslag van de keuring voor militaire dienst.
De lezer moet weten dat ik in mijn puberteit er aardig pacifistische gedachten op nahield. En eigenlijk nog steeds. Het idee om opgeleid te worden tot soldaat die in voorkomende gevallen andere mensen om zeep moest helpen, stond mij maar matig aan. In militaire dienst gaan was dus voor mij geen optie.
Ik had een tweetrapsstrategie bedacht: ik zou eerst proberen om afgekeurd te worden. En als dat niet lukte, zou een poging om erkend te worden als gewetensbezwaarde worden ondernomen. Mijn vader was het niet erg eens met de eerste stap. Hij vreesde negatieve consequenties voor het werkzame leven voor afgekeurde types, vooral als ze werden afgekeurd met de veelbetekenende aanduiding S5, wat duidde op een zeer grote mate van geestelijke instabiliteit. Maar ik gooide mijn poging om afgekeurd te worden niet over de geestelijke boeg, maar zette al mijn kaarten op mijn knieën. Nu had ik sinds het begin van de groeispurt regelmatig last van mijn knieën, waardoor ik ook menige gymnastiekles noodgedwongen aan de kant doorbracht. Ik vond dat niet zo heel erg, zoals velen die mij een beetje kennen, zullen begrijpen. Sporten is nooit mijn favoriete bezigheid geweest.
Wij hadden in die tijd een welwillende huisarts die mij, gewapend met een indrukwekkende tube zalf, en met dik ingezwachtelde knieën, richting de keuring stuurde.
Tijdens de keuring was sprake van behoorlijke hilariteit toen een of andere officier aan het gezelschap pubers vroeg wie er dacht afgekeurd te worden. Ik stak mijn vinger op en meldde luidkeels dat ik versleten knieën had. Ik maakte uit het opstijgende lachsalvo op dat dit in ieder geval door mijn leeftijdgenoten nogal komisch werd gevonden. De officier had zichtbaar moeite om zijn lachen in te houden.
Na afloop van de keuring moest ik in een aparte ruimte nog even wachten, samen met één of twee andere “speciale gevallen”. Ik moest wachten op een verwijsbrief voor het ziekenhuis waar röntgenfoto’s van mijn knieën zouden worden gemaakt. Die stap had ik toch maar mooi voor elkaar gekregen.
Een paar weken later vielen er twee brieven van het Ministerie van Defensie in onze brievenbus. In de eerste brief werd mij meegedeeld dat ik was goedgekeurd. De tweede brief meldde mij dat ik buitengewoon dienstplichtig was verklaard, hetgeen betekende dat ik niet in dienst hoefde. Waarschijnlijk waren er teveel jongeren van mijn lichting en hadden ze de zwakke broeders er op deze manier uitgefilterd.


Mijn vader was het meest blij met de eerste brief. Hij drukte mij op het hart dat ik die brief goed moest bewaren. Dat was immers het bewijs dat ik niet was afgekeurd, en zeker niet vanwege het door hem zo gevreesde S5.
Die brief kwam ik dus afgelopen weekend weer tegen. Ik geloof niet dat hij mij nog eens van pas zal komen, maar ik gooi hem toch maar niet weg.
Wordt vervolgd.

“Je gaat het pas zien als je het door hebt”

Dit verhaal begint in Veenhuizen, in april 2019. Ik zit in vrijwillige quarantaine, in een intelligent lockdown toen nog niemand van deze term gehoord had. Het is weer eens tijd om mijn leven tegen het licht te houden: gaat het nog zoals ik wil? wie ben ik eigenlijk? En belangrijker nog: wat wil ik eigenlijk? Relevante vragen, zeker nu het einde van mijn werkzame leven in zicht komt, en ik het straks allemaal lekker zelf mag uitzoeken. De introspectie levert geen spectaculaire nieuwe inzichten op, maar dat is ook niet erg. Ik constateer dat ik tevreden ben over hoe het gaat en dat ik plannen genoeg heb voor de toekomst. Ik heb afstand van mijn eigen leven nodig om daar goed over na te denken. Reflectie vereist afstand.
De navelstaarderij gaat gepaard met het maken van een paar foto’s van mezelf die het proces van zelfonderzoek moeten illustreren. Misschien zou ik deze foto’s ook nog wel een keer kunnen gebruiken voor een paar schilderijen, was de gedachte.
Een jaar later breekt de pleuris uit. De wereld staat op zijn kop. Ook mijn wereld verandert van het ene op het andere moment. Mijn levensgezel en ik worden allebei getroffen door het virus. Een lockdown is ons lot. Een deeltje erfelijk materiaal, verpakt in een eiwitomhulsel, zet ons leven even stil en zorgt voor een periode van “naarbinnengerichtheid”. We hebben noodgedwongen even genoeg aan onszelf en zijn onze naasten eeuwig dankbaar voor aandacht, blijken van medeleven, boodschappen en pannetjes soep.
Als het virus is uitgewoed, neemt het leven weer zijn (nieuwe?) normale vorm aan en is het hoog tijd om de schilderkwast weer ter hand te nemen. Ik pak de Veenhuizense foto’s erbij en zie dat een aantal poses die ik heb aangenomen extreem naar binnengekeerd zijn: de lockdown ten voeten uit. Die poses verschijnen dus op het doek: Lockdown I en II ontstaan.

Lockdown I
Erie Merkus: Lockdown I

Lockdown II
Erie Merkus: Lockdown II

Een derde pose is meer open. Ik besluit om deze pose te gebruiken voor een derde schilderij: Unlock. Het schilderij is af, ik ben tevreden, het staat nog op mijn ezel waardoor het af en toe mijn aandacht vraagt.
Ik heb in mijn blogs al een aantal malen betoogd dat bij het maken van een schilderij er sprake is van een wisselwerking tussen bewustzijn en on(der)bewustzijn. Je bent je vaak van te voren niet geheel bewust van wat je met een schilderij wilt uitdrukken. Een schilderij wordt nooit exact zoals je het voor ogen had. Het verhaal van een schilderij ontstaat en vertelt zich als het ware zelf. Je moet als creator vaak maar afwachten wat het schilderij uitdrukt. Natuurlijk is het altijd uiteindelijk jouw verhaal, maar je ziet het vaak pas achteraf. De grote JC zei het al: “Je gaat het pas zien als je het door hebt.”
Het schilderij Unlock staat dus op mijn ezel en vraagt mijn aandacht. Ik zie er, nadat het al een tijdje klaar is, een aantal zaken in die ik er niet bewust in heb gelegd, maar die wel passen bij mijn intentie met dit schilderij. Wonderlijk. Ik weet niet goed hoe ik dit moet duiden. Is mijn on(der)bewustzijn erg actief geweest tijdens het maken van dit schilderij waardoor er een aantal zaken zijn verschenen die ik niet bewust heb aangebracht maar wel zijn ontstaan en wonderwel passen? Of ken ik echt achteraf pas betekenis toe aan zaken die oorspronkelijk die betekenis helemaal niet hadden? Ik weet het niet. Maar dat datgene wat ik er nu in zie, goed past bij mijn state of mind van de laatste weken en maanden, vind ik frappant.

Unlock
Erie Merkus: Unlock

Ik zie in de huid van mijn romp kleuren die een ongezonde indruk geven: blauwe, paarse en grijze kleuren die de indruk geven dat ik letterlijk gekwetst ben. Ik krijg ook associaties met een lijkkleur. Ben ik te lang opgesloten geweest? Is mijn lichaam te lang bedekt geweest? Is er een gebrek aan gezonde buitenlucht zichtbaar?
Ik zie een blik, met grote ogen, die verbazing, verwondering, angst, onwennigheid uitdrukt. Die blik wordt versterkt door de totale houding: de schouders opgetrokken en iets naar achteren, waardoor er iets geschrokkens, iets angstigs, iets terughoudends ontstaat.
Ik zie een mens die opstijgt uit mist, die verrijst uit een zekere wazigheid, uit een onduidelijk geheel. De houding is naar boven gericht. Op weg naar een nieuw leven, een nieuwe werkelijkheid? Waarin zaken opnieuw duidelijk worden?

Zie ik de wereld, na een periode van gedwongen lockdown, als iets nieuws? Zie ik zaken die ik daarvoor niet gezien heb? Zie ik een veranderde wereld die ik nog niet ken? Is dit het nieuwe normaal?
Dat zijn zo van die vragen die bij mij opkomen. Wat levert deze periode ons op? Eerlijk gezegd weet ik het nog niet. Ik kan wel van alles gaan roepen, zoals dat social distancing juist heeft gezorgd voor méér contact tussen mensen. Of dat we ons nu realiseren dat het oude normaal helemaal niet zo normaal was, en dat het vanaf nu echt anders zal gaan bijvoorbeeld in onze omgang met elkaar, maar ook met ons milieu.
Het is nog helemaal niet duidelijk wat de effecten van de corona-crisis op lange termijn zullen zijn. Leren we echt van deze crisis en gaan we dingen anders doen? Of schieten we, zodra het maar even kan, terug in onze oude gewoonten en reflexen?
Ik denk dat het te vroeg is om daar nu al iets zinnigs over te zeggen. Het is goed om een aantal van dit soort zaken expliciet te maken en bespreekbaar te maken. We zullen later pas zien welke effecten er echt zijn opgetreden. De tijd zal het in zekere zin leren.
Om dit te zien is een zekere afstand nodig; afstand in tijd dus. Net zo goed als er afstand nodig was voordat ik mijn schilderij echt begreep. Reflectie vereist afstand. Reflectie leidt tot bewustzijn. “Je gaat het pas zien als je het door hebt.”

De paradox van social distancing

Het is een rare tijd. Raar omdat we dit in ieder geval in de westerse wereld na de middeleeuwen met zijn pestepidemieën nog nooit hebben meegemaakt. De Spaanse griep van begin 20e eeuw komt misschien nog het dichtst in de buurt. In verre oorden hebben ze helaas wel recente ervaringen met ebola, sars en andere narigheid.
In diverse landen wordt verschillend omgegaan met het onder controle krijgen van het virus: van een redelijk totale lockdown, tot wat we in Nederland zijn gaan noemen een “intelligent lockdown”. Een beetje een rare term. Alsof we willen zeggen dat ze in andere landen niet intelligent te werk gaan.
Een andere nieuwe term die verbonden is aan de “intelligent lockdown” is “social distancing”. Zo zie je maar dat deze ellende wel zorgt voor verrijking van de taal, ook al zijn het dan Engelse termen.
Social distancing: we schudden geen handen, houden anderhalve meter afstand (nog zo’n nieuw woord: de “anderhalvemetersamenleving”), we gaan niet bij elkaar op bezoek, we werken zoveel mogelijk thuis, gaan niet naar buiten om te recreëren, maken geen onnodig gebruik van openbaar vervoer, etc.
Er zit uiteraard iets tegennatuurlijks in social distancing. De mens is een sociaal wezen dat zich ontwikkelt en tot wasdom komt in contact met andere mensen, een enkele kluizenaar daargelaten. We willen helemaal geen social distancing, we willen samen zijn met degenen die ons dierbaar zijn. Maar het is een belangrijk en wellicht ook het enige middel om het virus onder controle te krijgen, waarna we ons weer volop in het sociale leven kunnen storten, hoewel dat laatste na deze pandemie er echt anders uit zal gaan zien. Hoe, dat weet nog niemand. Er wordt wel nagedacht of en hoe we weer met elkaar kunnen omgaan, of en hoe we weer uit eten kunnen gaan, of en hoe we weer op vakantie kunnen gaan, of en hoe we weer naar theaters en concerten kunnen, of we elkaar straks nog mogen zoenen en omhelzen, enzovoorts.
Nu we allemaal aan huis gebonden zijn, moeten we opnieuw nadenken over hoe we onze dagen doorbrengen, hoe we met onze huisgenoten omgaan als we niet gewend zijn om 24 uur op elkaars lip te zitten, hoe we ons voorbereiden op een naar verwachting aanzienlijke periode die de intelligent lockdown nog duurt. De vanzelfsprekendheden waarmee we ons leven inrichtten, zijn plots verdwenen. Niets is meer helemaal zeker, en zelfs dat niet.
Het doet enigszins denken aan de situatie waarin de westerse mens in de moderne tijd terecht is gekomen, waar steeds minder van je bestaan wordt bepaald door tradities, afkomst, familieverbanden, religie en nog wat van die dingen. De moderne mens moet veel zelf uitzoeken. Sartre noemt dat “geworpen zijn in de vrijheid”. Die vrijheid heeft zo zijn voordelen, maar voor de meeste mensen valt dat helemaal niet mee. Hoe ga je met die vrijheid om? Hoe bepaal je wat je wil doen in het leven? Hoe ga je om met de maatschappelijke druk om authentiek te zijn, om een interessant leven te leiden? Hoe ga je om met voor- en vooral tegenspoed? De moderne mens moet het allemaal maar zelf uitzoeken. Een hele opgave. Je kunt je als mens dus knap eenzaam voelen in deze nieuwe situatie.

Erie Merkus: Sleeper in metropolis IV (2014)

Eenzaamheid is ook nu aan de orde. In de eerste plaats in verpleeghuizen en andere zorginstellingen, waar bezoek verboden is of in ieder geval tot het minimum beperkt. Maar ook zelfstandig wonende ouderen die verstoken blijven van bezoek van kinderen en kleinkinderen. En niet te vergeten die hele hordes “gewone mensen” die niet heel royaal in de sociale contacten zitten.
Maar deze epidemie heeft ook een andere kant. Er is nog nooit zoveel getelefoneerd, geskyped, gefacetimed, gezoomd, geteamd (aha, weer twee nieuwe woorden), gewhatsapped dan in de tijd van social distancing. We zoeken andere manieren om met elkaar in contact te blijven. We ervaren, nu de meeste contacten fysiek niet meer mogelijk zijn, hoe belangrijk die contacten zijn. Het sociale in ons laat zich niet temmen.
Mijn partner en ik hebben in de laatste weken van heel dichtbij mogen meemaken hoe goed mensen voor elkaar zorgen in deze lastige tijd. Allebei gevloerd door vermoedelijk het vermaledijde virus (we zijn gelukkig allebei weer redelijk opgeknapt) werden we overspoeld door lieve buren die zorgden voor de boodschappen en avondmaaltijden, door bloemen, kaartjes, berichtjes en telefoontjes van familie, vrienden, bekenden en collega’s. Voorzichtig zou je kunnen zeggen dat Rutger Bregman gelijk heeft als hij in zijn fascinerende boek “De meeste mensen deugen” betoogt dat juist in tijden van crisis het beste in de mens naar boven komt, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt dat dan het beest in ons tevoorschijn komt.
Ook van anderen hoor je dat de saamhorigheid toeneemt. Wat een mooie maar toch ook wel een beetje wrange paradox: als contact bemoeilijkt wordt, groeien we meer naar elkaar toe.
Ik schreef hierboven dat we moeten nadenken hoe ons leven er na de intelligent lockdown uitziet. Laat ik aan het genoemde rijtje toevoegen dat we moeten nadenken over hoe we de nu ontstane nieuwe saamhorigheid en verbondenheid kunnen vasthouden. Laten we nu maar zeker in de toekomst wat meer naar elkaar omkijken. Dan zullen we blijvend ervaren dat we er in het leven niet alleen voorstaan.

Mijmeren aan een meer

Rust, rust en nog eens rust. Dat is wat het Zweedse landschap naar mij uitstraalt. Op mijn eerste reis door nog maar een heel klein stukje van dit immense land, ben ik onder de indruk van de eindeloos lange wegen, de immense bossen en de ontelbare meren. De dorpjes zijn stil. Een zoektocht naar een leuke plek voor een kop koffie, een gezellige lunch of avondeten, draait onherroepelijk uit op een teleurstelling. Er lijkt niets te beleven. Om die teleurstellingen te voorkomen, zit er niets anders op dan je verwachtingen bij te stellen en je over te geven aan wat dit prachtige land wel te bieden heeft.
Al mijmerend aan de rand van één van de vele meren, vraag ik me af hoe het leven van de gemiddelde Zweed eruit ziet. Het is natuurlijk zeer aanmatigend om na een kleine twee weken in dit land doorgebracht te hebben te beweren de Zweedse volksaard te kunnen doorgronden, zo die al bestaat. De meeste Zweden die ik ontmoet heb, zijn vreselijk aardig. De begroeting “hej-hej” die doorgaans gebezigd wordt, klinkt oprecht vriendelijk, lief zelfs.
De Zweden lijken me een tevreden volk. Ik kan me daar, zo aan de rand van dit meer en genietend van het uitzicht en de rust, alles bij voorstellen, hoewel de gemiddelde Zweed ongetwijfeld meer doet dan alleen maar zitten aan de rand van een meer.

IMG_8560_1200WM
Ik betrap me er tijdens deze weldadige rust op dat ik ook nadenk over alles wat ik na deze vakantie zou willen doen. Ik heb uiteraard weer teveel plannen, gezien de beschikbare tijd waarbinnen ik die plannen wil uitvoeren. Dat nadenken is niet vervelend, maar staat wel in schril contrast met de rust die ik ook volop wil ervaren. Ik besluit om van twee walletjes te eten.
Ik vraag me toch af hoe de Zweden hun leven invullen. Voor zo ongeveer alles wat je wil doen moet je kilometers rijden. Alle voorzieningen zijn per definitie ver weg. Hoe kom je in een andere omgeving dan de rustgevende natuur? Een omgeving die je nieuwe prikkels geeft, die je op nieuwe ideeën brengt, die je uit je comfortzone sleurt?
Maar misschien willen de Zweden dat helemaal niet. Hebben ze geen behoefte aan een andere omgeving. Hebben ze meer dan genoeg aan de prachtige, rustgevende natuur. Prikkelarm, zou ik bijna zeggen, maar daarmee doe ik dat landschap onrecht aan. Je overgeven aan de prikkels die de omgeving wel te bieden heeft, geen verwachtingen hebben die in dat land toch niet uit zullen komen, leren leven met wat het leven daar op die plek je wel te bieden heeft, geen plannen maken die je niet waar kunt maken, niet alleen omdat de tijd je ontbreekt, maar ook omdat de omgeving je daarvoor niet de juiste randvoorwaarden biedt.
Het begint zowaar een beetje op mindfulness te lijken, terwijl degenen die mij een beetje kennen, zullen weten dat deze manier van denken ver van mij afstaat.
Zweden heeft mij goed gedaan: rust gebracht. Wat wil je ook op zo’n prachtige plek zoals op de foto. Maar Zweden heeft mij ook bevestigd in het feit dat je omgeving in zekere zin bepalend is voor hoe je leven eruit ziet, voor wat je wel en niet kunt doen.
Je kunt er voor kiezen om in die omgeving te blijven, maar je kunt ook elders je heil zoeken. Gelukkig kun je als mens zelf je omgeving kiezen, en zo de voorwaarden creëren voor datgene wat je wil doen in je leven. En om daarover te mijmeren. En waar kan dit beter dan aan zo’n mooi meer.

Gestuntel in Veenhuizen

Verbazingwekkend hoe snel een plek gaat voelen als thuis. Tweede thuis weliswaar, maar goed… Vorig jaar omstreeks deze tijd zat ik hier ook, in het vakantiehuisje “De consistorie” aan de rand van het gevangenisdorp Veenhuizen.

Ik heb mijn verblijf hier vorig jaar voornamelijk gebruikt om eens op een rijtje te zetten hoe mijn leven eruit zou kunnen gaan zien als ik over een paar jaar stop met betaald werk. Het resultaat hiervan staat nog steeds mooi op een rijtje, dus met dat vraagstuk hoef ik me nu niet uitputtend mee bezig te houden. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat ik meer plannen heb dan dat ik tijd zal hebben. De kunst zal dus met name zijn om deze plannen allemaal ten uitvoer te brengen, met daarbij voldoende tijd voor het mij zo dierbare lummelen, het zalige nietsdoen.

Sinds twee dagen zit ik dus weer in de Consistorie, het tot vakantieverblijf omgetoverde voormalige verblijf van koster en kerkenraad van de hiernaast gelegen achthoekige hervormde kerk. Je kunt jezelf een slechtere plek toewensen om zo je gedachten te laten gaan over de zin van het leven. Maar ook om lekker naar muziek te luisteren, te lezen, te tekenen en te schilderen en een stukje te schrijven.

Het is de laatste dag van de maand van de filosofie. Het laatste nummer van het tijdschrift Filosofie Magazine maakte dus deel uit van mijn reisbagage. Het thema van de maand van de filosofie en ook van het tijdschrift is “stuntelen”. Diverse filosofen en andere geleerde types, steken in dit tijdschrift vanuit diverse invalshoeken de loftrompet af over stuntelen, onder meer als tegenwicht tegen de druk die veel mensen ervaren om te presteren, om succesvol te zijn, om een flitsend leven te hebben om daar op social media blijk van te geven. Deze druk staat werkelijk geluk in de weg. We moeten maar eens erkennen dat het niet altijd rozengeur en maneschijn is en dat het leven voor een groot deel bestaat uit gestuntel. Door schade en schande wordt men wijs, je leert met vallen en opstaan, van zijn fouten leert men, zijn van die zegswijzen die de waarde van het gestuntel onderschrijven. “Het leven is een gedoetje”, zei de voormalig denker des vaderlands René Gude.

En toch heb ik het idee dat de scribenten van de diverse stukjes een beetje doorslaan in hun verheerlijking van het gestuntel. Natuurlijk moet je niet bang zijn om fouten te maken, kun je niet alles perfect doen. Maar hoe leg ik aan professionals in de jeugdhulp, mijn werkveld, uit dat ze maar wat aan moeten stuntelen? Jeugdigen die het om wat voor reden dan ook wat minder hebben getroffen en op de hulp van deze professionals zijn aangewezen, hebben het recht op de best mogelijke hulp. De professionals zijn het aan deze jeugdigen verplicht om hun stinkende best te doen en om gestuntel zoveel mogelijk te voorkomen. Uiteraard blijft het mensenwerk, er zullen altijd fouten worden gemaakt, maar het is belangrijk dat je achteraf kunt uitleggen dat je, ondanks je gemaakte fouten, je best hebt gedaan.

Je best doen, met “best” als de overtreffende trap van “beter”. Je bent het volgens mij niet alleen aan de ander verplicht, maar ook aan jezelf. Je doet jezelf tekort als je niet het beste van je leven probeert te maken, je uiteraard rekenschap gevend van het feit dat je niet alles in de hand hebt. Er zijn omstandigheden waar je geen invloed op hebt. Maar waarom zou je, binnen die gegeven omstandigheden, er niet het beste van maken. Wie wordt er beter van als jij niet je best doet? Jijzelf in ieder geval niet!

Ruimte geven aan gestuntel, niet bang zijn om fouten te maken. Natuurlijk zijn dit belangrijke zaken. Als je iets niet probeert, weet je immers zeker dat het niet lukt. En succes is niet verzekerd! De meeste dingen in het leven moeten we leren, en dat gaat zoals hierboven als gezegd met vallen en opstaan. Succes komt niet vanzelf, daar moet je je best voor doen.

IMG_2271 (1)

Dit zijn ook waardevolle gedachten in mijn verblijf hier in Veenhuizen. Een verblijf waarbij ik even stilsta, nadenk over waar het naartoe moet met mijn leven, wat ik kan, wat ik niet kan, wat ik nog zou willen leren. Niet dat dat nu zoveel oplevert. Zoals ik hiervoor al schreef, hebben de resultaten van dit denkproces van vorig jaar nog volop hun waarde. Maar een continue herijking hiervan vind ik belangrijk. De reis is ook in dat verband belangrijker dan de bestemming.

En ondertussen geniet ik hier volop van de rust, van mooie muziek, van boeiende boeken en van de heerlijke biertjes van brouwerij Maallust. En van het tekenen van mezelf, als verbeelding van mijn zelfonderzoek.

Amor fati: omarm je lot!

Onlangs zag ik een interview met de abt van de abdij van Orval. Lekker bier maken ze daar trouwens! De abt verwees naar de Dalai Lama die heeft gezegd dat een probleem pas een probleem is als je het kunt oplossen. Als je het niet kunt oplossen is het geen probleem maar een gegeven. Een interessante gedachte. Zo origineel is die gedachte trouwens niet. De stoïcijnen vonden ook al dat je je niet druk moest maken over zaken waar je geen invloed op hebt, die je niet kunt oplossen dus. En er is een klein legertje filosofen, van kerkvader Augustinus tot Nietzsche, dat zei dat je je lot moest aanvaarden, omarmen, liefhebben zelfs.
Maar origineel of niet, het blijft een interessante gedachte, omdat die aangeeft waar je je druk over moet maken en waarover niet.
Het einde van het jaar is de tijd van de lijstjes en goede voornemens. Bij mij hebben de goede voornemens niet alleen betrekking op het nieuwe jaar, maar ook op de periode die in het oude jaar al begint: de kerstvakantie. Het is een gegeven dat mijn lijstje van voorgenomen activiteiten altijd langer is dan de vakantie zelf. Een gegeven, dus maak ik me er niet druk over dat ik niet al mijn voornemens in daden kan omzetten. Een paar voornemens kan ik inmiddels doorstrepen, of bijna. De keuken heeft een grote beurt gehad, ik heb wat geschilderd, gekookt voor en lekker gegeten en gedronken met vrienden en familie. Het boek “Goede mannen” van Arnon Grünberg is bijna uit.
Van het lijstje met te bezoeken tentoonstellingen kan ik alleen “Bloot – het kwetsbare lichaam” in museum Kranenburgh in Bergen doorstrepen. Gezien mijn fascinatie voor het naakte bestaan, was een reisje naar Bergen een must.
De tentoonstelling laat zien hoe het kijken naar bloot verbonden is aan het kijken naar de wereld. “In de jaren ’60 stond bloot voor vrijheid en puur natuur. Hoe verhoudt de nieuwe preutsheid zich tot de grenzeloze openheid van het internet? Staat bloot nog wel voor open en eerlijk”, aldus een passage van de introductietekst bij de tentoonstelling.
De expositie viel mij eerlijk gezegd een beetje tegen. De woorden die werden gebruikt om de tentoonstelling in te leiden, waren groter dan de geëxposeerde werken waarmaakten. Er was weinig bloot te zien. Niet dat dat per se moet, maar ik had het toch wel een beetje verwacht. En bij veel van de werken was de relatie met het thema ver te zoeken. En dat is natuurlijk belangrijker dan het ontbreken van de nodige dosis naakt.
Het boeiendst was nog dat men uit hun vaste collectie, van schilders van de Bergense school een aantal schilderijen had geselecteerd, die een relatie met de tijdelijke expositie weerspiegelden, en die de worsteling lieten zien van de Bergense kunstenaars met de maatschappelijke acceptatie van het weergeven van naakt.

matthieu wiegman, susanna
Matthieu Wiegman: Susanna

Ik heb al met al geen spijt van mijn reisje naar Bergen. Het zet mij weer aan het denken over wat ikzelf wil in mijn kunst, waarin het naakt ook een centrale plek inneemt. En natuurlijk hoef je in je leven niet alleen dingen te doen, waarvan je van te voren weet dat die een doorslaand succes zullen worden. Je moet af en toe een gokje wagen, nietwaar? Je moet ook open staan voor iets wat je nog niet kent. En als het dan tegenvalt, is dat kennelijk je lot. Ik aanvaard het met liefde: “amor fati”!
Iets wat ik ook nog niet ken, maar wat ik toch eigenlijk altijd wel had willen doen, is de Nieuwjaarsduik. Dit jaar, nee volgend jaar, aanstaande 1 januari dus, gaat het gebeuren. In mijn omgeving lopen de reacties uiteen van “leuk, stoer, dapper” tot “jij bent echt gek”. Ik ga het toch doen. Ik weet niet hoe het koude water me gaat bevallen, maar dat zie ik dan wel weer. Als het me tegenvalt, is dat een gegeven, geen probleem. En uiteraard is mijn Nieuwjaarsduik bloot.
Ik wens jullie een goede jaarwisseling en alle goeds voor 2019!

Parallel III: Over het individu als onderdeel van een gemeenschap

In mijn vorige blog schreef ik over de verhouding tussen het individu en de gemeenschap waartoe dat individu behoort. Thomas Mann schrijft daarover in zijn roman De Toverberg. De patiënten in het sanatorium op de berg bij Davos vormen een gemeenschap waarbij het gezamenlijke ziek zijn hen onderscheidt van de mensen “daar beneden”. Tegelijkertijd verschillen de patiënten enorm van elkaar.
Onderweg van onze kampeerplek in het natuurpark de Brenne, een stuk ten zuiden van Parijs, naar onze volgende plek net onder Limoges, stuitte mijn reisgenote, in haar reisgids op zoek naar bezienswaardigheden onderweg, op het plaatsje Oradour-sur-Glane.
Wij hadden nog nooit van dit plaatsje gehoord. Gezien de gebeurtenissen die zich hier hebben afgespeeld, is dat anders in Frankrijk. Op 10 juni 1944 vond er namelijk een enorme massaslachting plaats onder de bevolking van dit dorpje. 642 mensen werden door de nazi’s vermoord, slechts zes mensen overleefden het bloedbad. Het dorpje werd volledig verwoest.
De aanleiding voor het bloedbad was waarschijnlijk een actie van het Franse verzet waarbij een nabijgelegen spoorbrug werd opgeblazen, maar helemaal zeker is dat niet.
Het dorp bevindt zich nog in dezelfde staat waarin het op de fatale dag belandde. Afgebrande en gebombardeerde huizen, restanten van auto’s in de straten, het is pijnlijk voelbaar wat voor drama zich hier heeft afgespeeld.

oradour.jpg
Het dorpje is toegankelijk via een monument en een klein museum waarin de achtergronden van het dorp en de gebeurtenissen in de oorlog zichtbaar zijn gemaakt. Borden manen de bezoekers tot stilte, maar die borden zijn overbodig. Op een dergelijke plek word je vanzelf stil.
In één ruimte van het museum zijn kleine portretten te zien van de meeste mensen die zijn omgekomen. Men heeft hiermee de slachtoffers hun identiteit willen teruggeven, waardoor zichtbaar wordt dat het abstracte en onvoorstelbare getal van 624 uit evenzovele individuen bestaat. Tegen wil en dank zijn deze individuen door de gebeurtenissen voornamelijk als groep beschouwd. De inwoners werden door de ervaringen die ze niet konden navertellen, een gemeenschap met een gedeeld verleden. Het was mooi dat de portretten de slachtoffers hun individualiteit teruggaven.
Behalve deze parallel met de thematiek uit De Toverberg, drong de gedachte zich bij ons op dat er in onze tijd mensen zijn die iets soortgelijks meemaken: in Syrië en in andere brandhaarden van de wereld. We realiseerden ons dat de vluchtelingen uit Syrië maar weinig verschilden met de slachtoffers uit Oradour. Het verschil is dat de vluchtelingen uit Syrië nog leven en de gelegenheid hebben om elders een nieuw bestaan op te bouwen. Als je in Oradour in al je vezels voelt wat zich daar heeft afgespeeld, kun je eigenlijk niets anders dan andere mensen die voor een dergelijke terreur vluchten, een warm welkom bieden.

Parallel II: Over het leven op een berg

Er schijnt een lijst te bestaan van boeken die je gelezen moet hebben. En uiteraard ook van de plaatsen die je bezocht moet hebben, films die je gezien moet hebben, etc. Ik ben niet zo van dit soort lijstjes. Het woord bucketlist is mij vreemd. Het “moeten” bij dit soort lijstjes staat mij tegen. Ik moet helemaal niets. Ik wil wel een heleboel. Maar ik laat me niet opjagen; ik doe de dingen in mijn eigen tempo. Ik ga wel in een soort continu proces bij mezelf na wat ik nog meer zou willen. Ik heb daar al vaker over geschreven.
En stel je voor dat je je bucketlist hebt afgewerkt, wat dan?
Eén van de boeken die ik nog zou willen lezen, was De Toverberg van Thomas Mann. Dit boek wordt wel beschouwd als het schoolvoorbeeld van de filosofische roman, een genre dat mij wel ligt. Ik ben er in mijn vakantie dapper aan begonnen.

In De Toverberg vertrekt de jonge Hans Castorp naar het hooggelegen Davos om daar zijn neef te bezoeken die in het plaatselijke sanatorium verblijft vanwege een longaandoening. Hij voelt zichzelf ook niet helemaal topfit, dus een time-out in de heilzame lucht van Davos is mooi meegenomen. Maar al snel blijkt dat hij zelf ook zieker is dan hij zich heeft gerealiseerd waardoor zijn verblijf in het sanatorium aanzienlijk wordt verlengd. Hij wordt zo van slechts een bezoeker, een buitenstaander, al snel één van de patiënten.
Het is een bont gezelschap, daar op die berg: een afspiegeling van de diversiteit in de toenmalige Europese samenleving, met personages die staan voor verschillende denkwijzen die de Europese cultuur destijds liet zien. Het levert boeiende gesprekken tussen de personages op en minstens even boeiende bespiegelingen van Thomas Mann zelf over de “condition humaine” aan het begin van de twintigste eeuw.
Maar los van de diversiteit is er een minstens even grote bindende factor tussen de patiënten in het sanatorium: men is ziek, weliswaar in verschillende gradaties, maar het verschil tussen de zieken op de berg en de gezonden “daar beneden” wordt breed uitgemeten. Men voelt een lotsverbondenheid met elkaar waardoor het verblijf op de berg enigszins geïdealiseerd wordt en waardoor er een tegenstelling ontstaat tussen “wij hier boven” en de rest van de mensheid. Het is een boeiende metafoor voor de vraag in hoeverre je als mens een individu bent en hoe je je verhoudt tot de gemeenschap waartoe je behoort.

In mijn vorige blog schreef ik over een aantal zaken die mij tijdens de afgelopen vakantie waren opgevallen. Trouwe lezers van mijn blogs weten dat ik een fervent naturist ben. De zomervakantie wordt dan ook redelijk standaard doorgebracht op naturistenterreinen. Zo ook de afgelopen vakantie.

douche Manoque
Een tweetal terreinen die ik bezocht, bevonden zich boven op een berg. De parallel tussen mijn verblijf “op zekere hoogte” en het boek dat ik aan het lezen was, drong zich al snel aan me op.
Ik hoef de belangrijkste overeenkomst tussen de mensen die zich op naturistenterreinen bevinden, denk ik niet uit te leggen. Maar op het gevaar af dat ik enigszins generaliseer, valt mij altijd op dat, naast de ongeklede toestand, de mensen altijd zeer aardig en vriendelijk zijn, rekening houden met andere mensen, geen rommel achterlaten etc. De mensen op de berg vormen in die zin ook een gemeenschap, die zich kenmerkt door een bepaalde gezamenlijke levenshouding. Het was daar ook een soort van “wij hier boven en zij daar beneden”.
Maar tegelijkertijd zijn het “gewone mensen”, waarbij niets menselijks hen vreemd is. Ik breng de favoriete spreuk van Michel de Montaigne nog maar even in herinnering.
Daarmee zijn de verschillen tussen de mensen natuurlijk net zo groot als de overeenkomsten. Die verschillen die zijn er: in leeftijd, in geslacht, in lichamelijke gesteldheid en verschijningsvorm, maar ook in maatschappelijke positie. Het mooie is dat keer op keer blijkt dat de overeenkomsten vele malen belangrijker zijn dan de verschillen.
Het was mooi op beide bergen!