Om het hoekje kijken

Op de middelbare school had ik tekenles van de bekende Noord-Limburgse kunstenaar Toon van de Ven. Terwijl het merendeel van mijn klasgenoten de tekenles gebruikte om te keten en te klieren, zat ik op de eerste rij en hing ik aan de lippen van Toon om niets te missen van zijn fantastische verhalen. Het mooiste waren de verhalen over zijn ontmoetingen met de winterheks. Zij moet een prachtige verschijning zijn geweest. Hij hield ons ook voor dat hij om het hoekje kon kijken. Sterker nog, hij beweerde dat wij dat ook konden, maar dat wij dat alleen nog niet wisten.
Zijn onmetelijke fantasie was ook duidelijk zichtbaar in zijn schilderijen en tekeningen. Ik nam in die tijd zijn surrealistische stijl van tekenen ook wel een beetje over. Later ben ik meer mijn eigen weg gegaan.

Afgelopen week bezocht ik twee tentoonstellingen. De eerste was de tentoonstelling “Het leven der dingen” in Museum Kranenburgh in Bergen met werk van Jeroen Henneman. De tweede was “Hockney’s eye” in het Teylers Museum in Haarlem.

In Jeroen Hennemans werk gaat het om de vraag hoe wij de werkelijkheid waarnemen. Welk perspectief kiezen we? Hebben we oog voor details? Zet onze waarneming ons soms op het verkeerde been?
Zijn veelal uit strakke lijnen opgebouwde werk, lijkt vaak in eerste instantie een chaos, maar bij nadere beschouwing en bij het kiezen van het juiste standpunt ontvouwt zich een volstrekt logisch opgebouwd beeld. Erg fascinerend om via zijn werk Hennemans manier van kijken te ontdekken.

Jeroen Henneman: Doos 6

In de tentoonstelling “Hockney’s eye” worden werken van David Hockney getoond die hij met optische hulpmiddelen zoals de camera lucida gemaakt heeft. Met de camera lucida wordt het object dat je wil tekenen geprojecteerd op je tekenvel zodat het daarna een kwestie van “overtrekken” is. Dat klinkt veel simpeler dan het in feite is, maar hier komt het in feite wel op neer. Ook stelt Hockney onze waarneming ter discussie, waarbij sinds enkele eeuwen het lijnperspectief met één of meerder verdwijnpunten op de horizon dominant is. Hij keert dit principe om en zegt dat niet het oneindig ver weg gelegen verdwijnpunt het uitgangspunt moet zijn maar de positie van de kijker. Zijn werken die volgens dat laatste principe zijn gemaakt, zetten je op het verkeerde been, omdat alle beelden die je in je hoofd hebt en dus bepalend zijn voor je manier van kijken, radicaal worden omgedraaid. Je ervaart bijna letterlijk dat je op het verkeerde been staat. En daar zit ook de verwantschap met het werk van Jeroen Hennman.
Op de tentoonstelling in Teylers Museum werd ik getroffen door het contrast tussen de portretten die Hockney met de camera lucida had gemaakt en de portretten die hij had gemaakt zonder optische hulpmiddelen. Dat laatste noemt Hockney “eyeballing” om dat je oog in feite het “hulpmddel” is en je door de snelle bewegingen van je oogbal het object als het ware vanuit verschillende perspectieven beschouwt. Het viel mij op dat de portretten die volgens dit laatste principe waren gemaakt, op mij levendiger en minder plat overkwamen. De nadruk lag niet op de contouren van het portret zoals bij de camera lucida het geval was, maar op de driedimensionale vorm van de hoofden.

Heel af en toe teken of schilder ik naar een foto. Maar ik werk veel liever live naar model. Een voormalige schilderleraar (nee, niet Toon van de Ven) betoogde dat tekenen en schilderen draait om de omzetting van een driedimensionaal naar een tweedimensionaal beeld. Bij een foto heeft die omzetting al plaatsgevonden, waardoor het werken naar een foto echt iets anders is dan het werken naar model. Iets anders, maar voor mij met name minder interessant. En ik hou wel van de worsteling die dat telkens met zich meebrengt. Bovendien is er dan een interactie met het model wat, als het goed is, ook zorgt voor enige levendigheid.

Eén van de tentoongestelde werken van Hockney was een groot schilderij van een aantal mensen in een ruimte met spiegels aan de wanden. Hockney heeft dit werk gemaakt aan de hand van een grote hoeveelheid foto’s waarop de afgebeelde mensen van alle kanten zijn afgebeeld. Het platte van de portretten met de camera lucida heeft hij hiermee ondervangen. Niet de camera lucida maar de fotocamera was zijn optisch hulpmiddel. Hiermee zag hij de achter-, boven- en zijkant van de mensen.

David Hockney: Viewers Looking at a Ready-made Skull and Mirrors

Bij het maken van portretten heb ik geleerd om me te realiseren dat je te maken hebt met een schedel die een voor-, een boven-, een achter-, een onderkant en twee zijkanten heeft. Die kanten zie je nooit allemaal tegelijk maar je moet je er wel rekenschap van geven dat die kanten er allemaal zijn. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld ook voor een neus.
Als je op deze manier kijkt, dan helpt dat bij de omzetting van je driedimensionale model naar je tweedimensionale tekening of schilderij.
Bij de portretten met wat Hockney noemt de eyeballing techniek, lijkt Hockney ook zo te werk te zijn gegaan. Hij heeft zijn modellen van alle kanten bekeken, waarbij hij waarschijnlijk gewoon achter zijn ezel is blijven staan of achter zijn papier is blijven zitten.

Ik realiseerde me plotseling dat Hockney om het hoekje had gekeken. En dat ik dat ook al jaren doe. Mijn onovertroffen tekenleraar Toon van de Ven had dus gelijk. Ik kan ook om het hoekje kijken, maar ik wist tot voor kort alleen niet dat ik dat kon.

De Wachter en De Ander

Afgelopen zondag zag ik bij het tv-programma Buitenhof een interview met Dirk De Wachter. Later op die dag werd het uitgebreide interview uitgezonden dat Anne Christine Girardot met hem voerde. In beide programma’s vertelde de Belgische psychiater over zijn ziekte (bij hem is uitgezaaide darmkanker geconstateerd), wat dit met hem doet en hoe hij omgaat met het lijden dat hem heeft getroffen.
Hij begint beide interviews met het citeren van Frits van Egters uit De Avonden van Gerard Reve: “Het gaat slecht, maar verder gaat het goed”. De levenslust spat ervan af, ondanks zijn niet benijdenswaardige toestand. Op de vraag of zijn ziekte iets heeft veranderd aan zijn kijk op het leven, antwoordt hij ontkennend. Zijn ziekte heeft de zaak hooguit op scherp gezet. De interviewers verwachtten mogelijk dat hij, bevlogen als altijd, zou vertellen dat hem de schellen van de ogen waren gevallen, dat hij nu pas ziet waar het leven eigenlijk echt om draait. Je hoort immers vaak om je heen dat mensen die een bepaalde vorm van ellende meemaken in hun leven, dan tot belangwekkende inzichten komen, zich niet meer druk maken om zaken die er niet echt toe doen, en zo verder.
Zo niet bij Dirk De Wachter. Het is als psychiater natuurlijk zijn vak om vanuit een bepaalde visie op het menselijk bestaan, mensen bij te staan die worstelen met de grote levensvragen en met psychische aandoeningen, in veel gevallen terug te leiden naar een getroebleerd verleden van vernedering, mishandeling, misbruik, naar een gevoel van er niet bij horen. En dat hij over deze visie in de loop van zijn leven een beetje heeft nagedacht, is natuurlijk ook niet verwonderlijk. Het feit dat hij naar aanleiding van de miserie (een prachtig woord, dat met name in Vlaanderen gebezigd wordt; De Wachter gebruikt het vaak) die hem ten deel is gevallen, niet tot een andere visie komt, zegt volgens mij wel wat over de waarde en de kracht van die visie. Want als het zoals in zijn huidige toestand echt gaat om de meest existentiële kwesties, vragen over leven en dood, blijkt dat zijn visie zijn waarde heeft behouden en hem houvast biedt bij hoe hij, ook nu de rollen van dokter en patiënt zijn omgedraaid, zijn huidige leven wil leiden.

De Wachter vindt zijn belangrijkste inspiratie bij de Franse filosoof Emmanuel Levinas. Volgens Levinas is “de Ander (l’Autre)” (hij schrijft dit consequent met een hoofdletter, daarom doe ik dat ook maar) en je relatie tot die Ander bepalend voor jou als persoon. De Ander doet een appèl op je verantwoordelijkheid, vraagt wat van jou. Levinas’ theorie is daarbij een reactie op andere stromingen in de filosofie als fenomenologie en existentialisme, waarin de nadruk volgens hem te veel ligt op het eigen ik. Sartre gaat zelfs zo ver dat hij één van zijn personages in het toneelstuk “Huis clos” laat zeggen: “L’enfer, c’est les autres”, “De hel, dat zijn de anderen”. Het ongeluk komt in de ogen van Sartre altijd van de anderen. Niet bij De Wachter en Levinas. Volgens hen zijn we, evenals bij Sartre, eenzame mensen, maar is het juist die eenzaamheid die ons leidt naar de Ander. “We zijn, in de blik van de Ander”.
Het frappante is dat Dirk De Wachter juist iets anders als hel typeert. Hij prijst zich gelukkig dat hij in al zijn miserie omringd is door liefdevolle mensen. Degenen die hun lijden in eenzaamheid moeten ondergaan, die bevinden zich volgens hem in de hel. Sartre zou dit overigens beamen: het op zichzelf teruggeworpen zijn zoals Sartre het bedoelt, is geenszins een pretje. Desondanks vond Sartre zichzelf geen pessimist.

Erie Merkus: Take a look at these hands (2021)

Op de vraag hoe hij na zijn dood herinnerd wil worden, antwoordt hij: “Als een liefdevol persoon”. De Wachter neemt de gelegenheid te baat om uit te weiden over het begrip liefde. Volgens hem, en alweer in navolging van Levinas, zit die liefde juist in de “gewonigheid” van alledaagse dingen: in de aandacht die je voor een ander hebt als het even tegenzit. In het kopje koffie dat je dan voor de ander gaat maken. In de hand die je dan even vastpakt. “Het kost niks”, voegt hij er veelbetekenend aan toe.

Hij vertelt bevlogen hoe hij als psychiater zijn patiënten tegemoet treedt. Hij wil voor hen van betekenis zijn. Hij wil hen helpen om, ondanks alle ellende, de juiste zijde van hun levenspad te kiezen. Op de kronkelingen van het levenspad heb je zelf geen invloed, maar je kiest wel zelf aan welke kant van het pad je gaat lopen: de zon- of de schaduwzijde, de zijde waar je kunt zien waar je loopt of de zijde waar het donker is en er continu gevaar is dat je struikelt, de warme of de koude kant. Verder stelt hij dat waardigheid de beste wraak is voor een traumatisch bestaan.
Mooi als je dit aan mensen kunt overbrengen die minder “chance” (zoals De Wachter het uitdrukt) in hun leven hebben gehad dan hij. Hij voelt zich een bevoorrecht mens dat hij op deze manier mensen kan helpen.
In zijn spreekkamer is de patiënt “de Ander” voor de psychiater. De patiënt doet een beroep op de psychiater. De psychiater komt tot bloei in de beantwoording van de hulpvraag van de patiënt. Het lijkt erop dat Levinas zijn theorie heeft ontwikkeld met een dergelijke spreekkamer in zijn achterhoofd. In een hulpverleningsrelatie kan ik me van alles voorstellen bij wat Levinas en De Wachter bedoelen.
Ik breek me nog het hoofd over de vraag wat ik nou vind van de denkbeelden van Levinas en De Wachter in het algemeen. Snijden ze ook buiten de spreekkamer hout? Is het zo dat de relatie met de Ander, en het appèl dat de ander op je doet, zo allesbepalend is? Betekent dat niet te veel dat je jezelf wegcijfert, onnodig klein maakt waardoor je eigen ik niet tot bloei komt? Zie ik niet toch meer in de stelling van Sartre dat de existentie voorafgaat aan de essentie? Om in de terminologie van Sartre te blijven is “psychiater” de essentie van De Wachter. Maar wat heeft hij aan die essentie als er geen patiënt tegenover hem zit? Wie ben je dan nog? Dat laatste is volgens Sartre de vraag waar het dan om draait. Het gaat dan om het naakte bestaan, je existentie. En je staat, in alle eenzaamheid, zelf aan de lat om daar vorm en inhoud aan te geven. In de ogen van Sartre drukt de Ander je altijd in een rol die je afleidt van de vraag waar het eigenlijk om gaat: wie ben je eigenlijk? Daar zul je zelf een antwoord op moeten geven.

Hoe wil je herinnerd worden? Als liefdevol persoon die zich heeft laten leiden door de behoeften en de vragen van anderen? Of als persoon die ondanks alle druk van de buitenwereld op zoek is gebleven naar zijn eigen identiteit, zijn eigen authenticiteit?
Ik zou het zo gauw niet weten. Er is voor allebei wel wat te zeggen. Zeker als je je realiseert dat jij op jouw beurt ook een “Ander” bent in de ogen van je medemens. Met jouw behoeften en vragen doe jij op jouw beurt een appèl op je medemens. Het appél van de Ander betekent dan geenszins dat je jezelf wegcijfert doordat je je richt op wat die Ander van je vraagt. Jij vraagt op jouw beurt immers ook iets van die Ander. In de onderlinge relatie word je pas mens; voor mijn part noem je dat op zijn Sartriaans de existentie, het ware leven.

Hoewel ik blijf zitten met honderd vragen naar aanleiding van de interviews met Dirk De Wachter, ben ik erg ontroerd en diep onder de indruk van hem. Ik gun iedereen die maar een beetje miserie meemaakt in zijn leven, de kracht, de wijsheid, de waardigheid waarmee De Wachter in het leven staat. En ik gun iedereen de liefde die hij uitstraalt, naar zijn medemens, naar zichzelf, naar het leven.
En zo wordt deze blog onverwacht een soort nieuwjaarsboodschap. Ik wens iedereen voor het nieuwe jaar een stukje De Wachter.

Het museum en de natuur

Afgelopen week bezocht ik het onvolprezen Museum Voorlinden in Wassenaar. Altijd een feest om daar te zijn. Nu was het extra bijzonder omdat het bezoek op mijn verjaardag was. Jammer dat de prachtige tuin van Piet Oudolf waarin het museum ligt, in winterslaap was. Reden om later nog eens terug te komen.
Na een heerlijke verjaardagslunch was het tijd om de kunst in het museum te gaan aanschouwen. De tentoonstelling “Art is the antidote” was bezig aan haar laatste dagen. Er werd al druk gewerkt aan de inrichting van een nieuwe expositie waardoor niet meer alle werken van de aflopende tentoonstelling aanwezig waren. Toch was de tentoonstelling meer dan de moeite waard, temeer omdat de nog aanwezige kunstwerken je aan het denken zetten. En dat is volgens mij toch wat kunst onder andere hoort te doen. En ik bedoel dan niet denken in letterlijke, in enge zin, waarbij je ratio de hoofdrol speelt, maar wat breder: kunst hoort iets met je te doen, emoties teweeg te brengen, reflectie uit te lokken. In de brochure bij de tentoonstelling staat: “Je gaat merken dat kunst werkt als een medicijn: het geeft lucht, biedt je energie en laat je zien dat het anders kan.” De expositie wil een tegengif (antidote) bieden tegen je mogelijke gevoel van uitputting, opgebrand zijn en onderprikkeling “na alle lockdowns en oplopende discussies in de maatschappij.” De expositie deed wat mij betreft haar werk.

Nog indrukwekkender was de andere tijdelijke expositie, met werk van de Italiaanse vertegenwoordiger van de arte povera, Giuseppe Penone. Het centrale thema in deze tentoonstelling is de relatie tussen mens en natuur. Met materialen uit de natuur zoekt hij “naar sporen van een geleefd leven, legt (hij) groeiprocessen bloot die vaak onzichtbaar zijn voor het menselijk oog en toont (hij) het verstrijken van de tijd,” zo meldt de flyer.

Giuseppe Penone: Ripetere il bosco

Zo staan er “afgeschraapte” bomen, waardoor in het binnenste van de boom de oorsprong van de takken zichtbaar is. Verder is er een enorm uitvergrote tekening van zijn vingerafdruk, waarvan je in eerste instantie denkt dat je naar de jaarringen van een boom kijkt. En de binnenkant van je hersenpan, sterk uitvergroot weergegeven in een marmeren vloer waarvan je het reliëf het beste kunt ervaren door er op kousenvoeten overheen te lopen, lijkt verdomde veel op koeienhuiden die de structuur hebben aangenomen van de boomstammen waarover ze te drogen zijn gelegd.

Giuseppe Penone: Scultura di linfa

In een ander werk heeft Penone een afgietsel van zijn hand aangebracht op een nog levende boom. De boom groeit door en omsluit gaandeweg de hand steeds verder. Penone maakte afgietsels van die boom in de diverse stadia van omsluiting van de hand.

Giuseppe Penone: Trattenera 6, 8, 12, 16 anni di crescita (Continuerà a crescere che in quel punto)

Wat betreft de relatie tussen mens en natuur moet ik onherroepelijk denken aan een aantal boeiende colleges die ik in mijn studie onderwijskunde heb gevolgd. Mijn docenten van de vakgroep Onderwijskunde waren nogal kritisch op wat zij noemden de traditionele vernieuwingsscholen zoals Montessori, Jenaplan, Vrije School. Eén van de overeenkomsten van deze onderwijsvormen is dat ze de natuurlijke ontwikkeling van het kind willen volgen en stimuleren. Wat is daar mis mee, zou je zeggen. Nou van alles! volgens mijn docenten.
In een aantal bevlogen colleges deden ze haarfijn uit de doeken hoe de natuur werkt, hoe daar de overlevingsdrift centraal staat en het recht van de sterkste hoogtij viert. Ze lardeerden dit met voorbeelden waarin grote bomen het licht van kleine plantjes wegnemen, waarin roofdieren het zwakste prooidier uitzoeken, waarin kuddes zieke soortgenoten achterlaten omdat de tocht naar grazige weiden en water moet worden voortgezet. Ze lieten ook zien hoe maatschappijvormen waarin “natuurlijke verhoudingen” centraal staan, al snel verworden tot totalitaire regimes waarin er voor zwakkere broeders en zusters geen plek is.
Dus of het nou zo verstandig is om de natuur als leidraad te nemen…. Wij mensen zouden beter moeten weten. Door onze ratio te gebruiken, zijn wij in staat om onze natuurlijke instincten links te laten liggen, en zelf keuzes te maken over hoe wij ons leven en onze maatschappij inrichten. En uiteraard speelde onderwijs in de ogen van mijn leermeesters en -meesteressen daarin een cruciale rol. Men werkte aan een onderwijsvisie die een derde weg bood tussen ons traditionele onderwijs en de genoemde vernieuwingsscholen. Een visie die ruimte bood voor de ontwikkeling van kinderen die verder ging dan het slechts volgen van de natuurlijke ontwikkeling van het kind.

Mijn docenten wilden geenszins zeggen dat wij niets met de natuur te maken hadden, of zouden moeten willen hebben. Wij zijn immers slechts een bijzondere diersoort, met typisch menselijke eigenschappen, net zoals een olifant een bijzondere diersoort is, met typische olifanteneigenschappen. De olifantenouders brengen hun jongen groot zodat zij het leven van een volwassen olifant kunnen leiden. Mensenouders doen precies hetzelfde, zij het dat hun opvoeding moet leiden tot een volwassen mensenleven.
De grote Aristoteles zei het al: het doel van de mens is om zijn typisch menselijke eigenschappen tot ontplooiing te brengen. Hij doelde hiermee in de eerste plaats op het denkvermogen van de mens, maar ik denk dat je hier ook wel de bijzondere gave tot het maken van kunst onder kunt verstaan. En dan is het citaat uit de brochure bij “Art is the antidote” waarin gezegd wordt dat kunst je laat zien “dat het anders kan” een hele treffende.
Ik heb de opvatting van mijn docenten over de verhouding mens-natuur mijn hele latere leven meegenomen. Ik kan me daarin vinden.

Het bezoek aan Museum Voorlinden leverde dus genoeg stof op tot nadenken, tot reflectie. De verhouding tussen mens en natuur blijft natuurlijk een hele boeiende. Je raakt hier volgens mij nooit over uitgedacht of uitgepraat. Ik ben benieuwd hoe mijn denkproces over dit onderwerp zich heeft ontwikkeld als ik weer een bezoek breng aan Museum Voorlinden. Het zal dan zo zijn dat de door de mens gemanipuleerde natuur, de tuin van Piet Oudolf, er dan heel anders uitziet. Ook de expositie die dan te zien zal zijn, uiteraard nog geen idee welke, zal me ongetwijfeld nieuwe inspiratie gaan opleveren.

Waar maken we ons nou eigenlijk druk om?

In 2017 bezocht ik in het Gemeentemuseum, inmiddels omgedoopt tot Kunstmuseum, in Den Haag de tentoonstelling van schilderijen van de Amerikaanse kunstenares Alice Neel. Het schilderij wat er het meest uitsprong was een zelfportret dat zij gemaakt had op haar tachtigste. Hierop beeldt ze zichzelf af, gezeten in een blauwgestreepte fauteuil, gewapend met kwast en doek. Ze is naakt.

Alice Neel: Self-portrait


Enige jaren daarvoor kreeg ik een boek met werk van haar cadeau van een toenmalige collega. Deze collega leidde, net als ik, een dubbelleven als kunstenaar. Met hem samen had ik één van mijn eerste exposities. Tot dan toe kende ik het werk van Alice Neel nog niet.
Een paar dagen geleden verscheen er een artikel in de Volkskrant over Neel. Een aantal werken van haar wordt nu tentoongesteld in het fameuze Centre Pompidou in Parijs. Het betreft een aantal naakten. In het artikel staat dat zij ook wel “de grootste portretschilder van de 20ste eeuw” wordt genoemd.
Het artikel begint met een enigszins dubieus verhaal (geen idee of het klopt, maar in deze tijden waarin berichten over grensoverschrijdend gedrag over elkaar heen buitelen, gaat bij verhalen als deze bij mij een wenkbrauw omhoog) dat zij een specifieke methode had om haar modellen uit de kleren te krijgen. Het komt bij mij wat geniepig over, en het is de vraag of haar modellen zich geheel vrijwillig aan haar blootgaven.
Verderop in haar artikel komt naar voren dat het er Neel om ging om mensen af te beelden “op hun karakteristiekst en allerindividueelst, gepokt en gemazeld door het leven.” Het quasi-terloopse gepraat van Neel tegen haar modellen moest ertoe leiden dat zij een pose aannamen die “in zekere zin hun hele karakter en sociale status omvat; wat de wereld hen heeft aangedaan en hoe ze daar wraak op hebben genomen”. “Het ging Neel niet om mooi of lelijk, ze wilde simpelweg de waarheid over een persoon vertellen, zoals zij die zag. Vol nieuwsgierigheid keek ze naar ieder mens en ze ving haar modellen in hun unieke individualiteit.”
Vanwege de citaten in de vorige alinea ga ik er maar vanuit dat de modellen geheel vrijwillig hun kleren uittrokken om door Neel geportretteerd te worden en dat er geen sprake was van grensoverschrijdend gedrag.
Ik voel een sterke verwantschap met de drijfveren en motieven van Alice Neel om naakte mensen te schilderen. Niet zozeer vanwege de sociale context waarbinnen Neel haar modellen plaatst, maar meer omdat we allebei via de buitenkant van een mens iets willen zeggen over de binnenkant. Ik blijf dat zelf een merkwaardige maar tegelijkertijd boeiende paradox vinden. Een andere verwantschap is dat het ons beiden niet gaat om mooi of lelijk.

In dezelfde week waarin de Volkskrant in lovende bewoordingen schreef over Alice Neel, was er commotie over een aantal schilderijen van de Utrechtse kunstenaar Jeroen Hermkens in het gemeentehuis van Purmerend. Op de schilderijen zijn veertien vrouwen uit de Beemster geportretteerd. De schilderijen willen het pure van de Beemster en de natuurlijke schoonheid van de vrouw uitdrukken. De vrouwen zijn naakt.
Over de schilderijen waren klachten binnengekomen omdat er blote borsten zichtbaar waren. De gemeente besloot daarop een aantal schilderijen weg te halen. De kunstenaar kon zich niet voorstellen dat er klachten waren binnengekomen. “Wat kunnen mensen hier nou tegen hebben?”, vroeg hij zich af. Inmiddels is besloten om de schilderijen toch te laten hangen, onder het motto “Kunst hoeft niet door iedereen goedgekeurd te worden”. Gelukkig maar!

Jeroen Hermkens: enkele van de Beemstervrouwen

Het is natuurlijk niet de eerste keer dat er ophef ontstaat over de tentoonstelling van schilderijen met naakt in de openbare ruimte. Nog onlangs besliste het Diakonessenhuis in Utrecht dat een grote reproductie van een schilderij van Gerard van Honthorst gecensureerd moest worden vanwege de zichtbaarheid van een tepel.

Ik deel de verbazing en het ongeloof van Hermkens. Wat is dat toch dat we (of in ieder geval een deel van ons) zo’n moeite hebben met de afbeelding van naakte lichamen? Ik weet natuurlijk ook wel dat er in vele culturen al eeuwenlang mechanismen aan het werk zijn om ons ervan te overtuigen dat er iets mis is met onze lichamelijkheid. Naakt wordt snel geassocieerd met seksualiteit. En seks is voor veel mensen nog steeds een vies woord, ondanks het feit dat we er zonder seks niet eens zouden zijn.
Maar naakt hoeft natuurlijk niet altijd met seks te maken te hebben. Ons lichaam is meer dan dat.
Veel mensen lopen ook rond met het idee dat er iets mis is met hun lichaam. Van alle kanten worden we geconfronteerd met wat er wel en niet goed zou zijn aan ons lichaam: het onbereikbare schoonheidsideaal viert hoogtijdagen, terwijl voor mij zonneklaar is dat erg weinig mensen aan dit ideaal voldoen. We vallen hierdoor van het ene minderwaardigheidscomplex in het andere. Er zit dus waarschijnlijk ook een aspect van zelfhaat, van afkeer van ons eigen lichaam in de verontwaardiging die sommige mensen tentoonspreiden bij het zien van naakt in de kunst.

Als we nou eens allemaal beginnen met een keertje in ons blootje voor de spiegel te gaan staan en dan hardop tegen onszelf te zeggen: “Ik mag er zijn. Ik ben goed zoals ik ben.” dan zouden we al een heel eind opschieten. Als we ons realiseren dat we onder onze kleren allemaal naakt zijn, en dat het menselijk lichaam vele verschijningsvormen kent, dan zou er misschien al iets afgaan van onze krampachtigheid ten aanzien van ons eigen lichaam en ten aanzien van de afbeeldingen van naakte lichamen in de kunst.
Tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat ons innerlijk veel belangrijker is dan de verpakking. Dus wat maakt ons dat naakte lichaam nou uit!

Ontroering

“Ontroering”, zei de man met wie we zojuist een fantastische wijnproefavond hebben beleefd. Op de proeftafel stonden negen geweldige wijnen die ons budget als we ze zouden moeten kopen ver te boven gingen. Een buitenkansje dus om deze godendranken te proeven. Na afloop vertelde de man over het televisieprogramma dat hij onlangs had gezien, waar aan het eind steevast de vraag aan één van de gasten wordt gesteld: “Wat maakt jouw leven de moeite waard?” Onze gesprekspartner zou hebben geantwoord: “Ontroering”. Ik vond het wel een mooi antwoord. Een vluchtige redenatie leerde me dat wanneer alles je onberoerd laat, het leven in feite nauwelijks de moeite waard zou zijn. Het ging in het leven inderdaad meer om de momenten dat je geraakt wordt, niet om zaken waarvan je warm noch koud wordt.
We kenden hem “van gezicht” van de wijnproefavonden die hij en wij regelmatig bezoeken, maar tot een gesprek was het nog nooit gekomen. Totdat wij hem van een afstand zagen tijdens een aantal concerten van het recente Festival Oude Muziek. Na afloop van de eerste wijnproefavond die volgde op het Festival besloot ik hem aan te spreken. Wij bleken immers niet alleen de passie voor wijn te delen, maar ook voor oude muziek.


Aan het eind van de proefavond die daarop volgde, sprak de man ons aan om ons deelgenoot te maken van zijn antwoord op de vraag uit het televisieprogramma. Om zijn antwoord te illustreren zei hij dat het gaat om de dingen waar je gelukkig van wordt. Ik kon daar een heel eind in meegaan, maar had toch de moed om een nuancering aan te brengen. Ik vertelde over de ervaring die ik had tijdens ons bezoek aan de abdij waarover ik in mijn vorige blog (“Als woorden er niet toe doen”) heb geschreven. Hier was zeker sprake van ontroering, maar geenszins van een overheersend gevoel van gelukzaligheid. Eerder een enigszins droevig gevoel, maar tegelijkertijd een ervaring die je als existentieel zou kunnen betitelen. De man was het al snel met mijn nuancering eens. De term ontroering had niet alleen betrekking op zaken waar je blij van wordt, maar in brede zin om zaken die je raken, die je beroeren, waar je stil van wordt.
Ik moest ook denken aan het outplacementtraject dat ik jaren geleden gevolgd heb, op zoek naar een nieuwe baan. Eén van de opdrachten was om in de bibliotheek op zoek te gaan naar tijdschriftartikelen en boeken over onderwerpen waarvan je bij wijze van spreken rechtop in je stoel gaat zitten. Het doel van deze opdracht was duidelijk: ontdekken waar je belangstelling naar uit gaat, wat je de moeite waard vindt in het leven, waar je hart sneller van gaat kloppen, wat je passies zijn. Deze ontdekkingstocht zou behulpzaam zijn in de zoektocht naar een baan waar je je ei in kwijt kon. Met een beetje goede wil zou je hier nog aan toe kunnen voegen, waar je door wordt geraakt, beroerd, ontroerd.
Met de man in kwestie deelde ik al de passie voor wijn en oude muziek. Nu werd daaraan toegevoegd de zoektocht naar “ontroering”, als essentieel, of liever existentieel (om met Sartre te spreken) element in je leven. Van een leven dat al kabbelend voortgaat en dat geen hoogtepunten maar ook geen dieptepunten kent, word ik niet gelukkig, en als ik het goed inschat, de man ook niet. Is het nastreven van geluk dan toch de zin van het leven? En leveren op het oog minder gelukkig makende gebeurtenissen, dan toch paradoxaal genoeg geluk op? Een gedachte waarover ik met de man, onder het genot van een goed glas wijn, met mooie oude muziek op de achtergrond, nog wel eens door zou willen bomen.

Als woorden er niet toe doen

In Normandië, niet ver van de hoofdstad Rouen, bevinden zich de overblijfselen van wat ooit de abdij van Jumièges is geweest. Via een toegangspoort betreed je het terrein waar ooit imposante gebouwen hebben gestaan, maar waar nu nog slechts wat schamele resten van over zijn.


De geschiedenis van de abdij begint in het jaar 654, toen het klooster werd gesticht door de heilige Philibert, hoveling van koning Dagobert I. De abdij kent een verleden van een aantal verwoestingen, te beginnen met de Vikingen in 841 en daaropvolgende periodes van wederopbouw. Tijdens de Franse revolutie werd er een einde gemaakt aan het bestaan van de abdij, een lot dat menige abdij beschoren was, veelal vanwege de banden met het Franse koningshuis. De abdij deed vanaf dat moment dienst als steengroeve. Met stenen die ooit toebehoorden aan de gebouwen van de abdij werden huizen in de omgeving gebouwd.
Ondanks het feit dat er niet veel meer over is van de abdij, zijn de restanten ronduit indrukwekkend. Het goede weer ten tijde van mijn bezoek leverde een bijdrage aan de verstilde, mystieke sfeer die op het terrein heerste.

Deze sfeer werd nog eens versterkt door een bijzondere expositie/installatie die in de ruïne van de abdijkerk was ingericht. De installatie, getiteld “A roof for silence” en ontstaan uit een samenwerking van een flink aantal kunstenaars uit diverse disciplines, gaat over de waarde en het behoud van cultureel erfgoed in een land dat door veel onheil werd en wordt geteisterd: Libanon. Tijdens een grote opstand op 17 oktober 2019 werden de vele misstanden in met name het politieke systeem en de economische gevolgen daarvan aan de kaak gesteld. In augustus 2020 werd een groot deel van Beiroet verwoest door een enorme explosie in de haven.
De installatie werd voor het eerst getoond tijdens de Biënnale van Venetië en is na een aantal omzwervingen neergestreken in wat er over is van de abdijkerk.
Vanaf de ingang tot de zijbeuken bevindt zich een pad van glasscherven dat leidt naar het koor van de kerk. Rond het koor zijn grote foto’s te zien van de zeer oude olijfbomen van Bchaaleh. De beschrijving aan het begin van de installatie laat de volgende tekst zien: “…trees that have passed their own dying age and that harbour, within the hollows of their enormous trunks, the possibility of living together and of dreaming, by claiming the right to silence.” (Vertaald: “…bomen die hun eigen levensduur voorbij zijn en die, in de holtes van hun enorme stammen, de mogelijkheid herbergen om samen te leven en te dromen, door het recht op stilte te claimen.”)


Die stilte werd versterkt door prachtige klanken (muziek? soundscapes? spoken word? of een combinatie daarvan?), die samen met de overige getoonde werken een beeld creëerden dat tegen het decor van de abdijresten mij sprakeloos maakten. Ik kan nauwelijks woorden vinden voor wat ik ervoer toen ik mij in de abdij en in de installatie bevond. Een docent van mijn schildersvereniging heeft eens gezegd: “Als wij in woorden konden uitdrukken wat wij met onze kunst willen zeggen, dan waren we wel schrijvers geworden in plaats van schilders.” Ik kon het op dat moment in de abdij niet méér met hem eens zijn! Maar dit fenomeen doet zich dus kennelijk niet alleen voor bij het maken van kunst, maar ook bij het ervaren en beleven daarvan. Deze kunst appelleerde aan een gebied ergens diep binnenin mij, een gebied waar je intuïtief ervaart wat de waarde van iets is, zonder dat je weet waarom en wat die waarde precies is, zonder dat daar woorden voor nodig zijn.

Maar vooruit, laat ik toch een poging doen om te verwoorden wat de installatie op die bijzondere plek mij zei. Het ging ontegenzeggelijk over vergankelijkheid, de menselijke neiging tot destructie, de hoop op behoud van het goede. Het besef drong tot mij door dat de ruïne niet alleen in verval was geraakt als gevolg van “de tand des tijds”. Het verval was niet “als vanzelf” gegaan maar was het product van menselijk handelen: het handelen van de Vikingen, van de oorlogvoerende partijen tijdens de Honderdjarige oorlog, van de revolutionairen tijdens de Franse revolutie, van de huizenbouwers daarna. En zo iets was er ook in Libanon aan de hand. Het handelen van de machthebbers leidde tot de opstand, de explosie was een gevolg van ernstige nalatigheid.
Maar als we ons realiseren dat mensen in staat zijn tot zoveel destructie, dan is het belangrijk dat we ook oog hebben voor de keerzijde daarvan: het cultureel erfgoed waarvan de makers van de installatie zeggen dat dit behouden moet blijven, is ook mensenwerk. De installatie laat dus zien dat wat door mensen wordt afgebroken, eerst door mensen is opgebouwd. Cultuur is ook niet iets dat zomaar ontstaat, net zo goed als verval ook niet iets is dat zomaar optreedt.
Een somber makende en tegelijkertijd hoopvolle gedachte. Ik hou ervan als kunst geen eenduidige boodschap heeft, maar ruimte geeft voor je eigen beleving, voor reflectie en voor je eigen interpretatie. En als het kunst is die je raakt, die je stil maakt, die in je innerlijk, dat gebied waar je geen woorden hebt, waar het verstand er niet toe doet, een directe verbinding tot stand brengt tussen verdriet om wat verloren is gegaan en hoop dat dingen van waarde behouden blijven, dan heb je als kunstenaar volgens mij iets goeds gedaan.

Wat zou Sartre hier nou van vinden?

Ik heb zojuist met zeer veel plezier het boek “Walging” van Jean-Paul Sartre opnieuw gelezen. Ik heb dit boek voor het eerst gelezen in de jaren tachtig, nadat mijn docent filosofie zeer bevlogen had verteld over hoe Sartre het begrip vrijheid opvat: niet per se als iets positiefs dus. Hij gebruikte de uitdrukking “je bent geworpen in de vrijheid”, met andere worden: zoek het maar uit! Het boek maakte toen, en ook nu weer, een verpletterende indruk op me.
De hoofdpersoon wordt geconfronteerd met het naakte bestaan. Deze confrontatie veroorzaakt bij hem een diep gevoel van onbehagen, ongemak, walging. De oorspronkelijke titel van het boek is “La nausée”, in het Nederlands vertaald als “Walging”. Zonder arrogant over te willen komen, zou ik denken dat “Misselijkheid” misschien een betere vertaling zou zijn geweest, maar als boektitel bekt “Walging” natuurlijker lekkerder.
Behalve deze misselijkheid of walging voelt de hoofdpersoon ook een diepe afkeer van de mensen om zich heen die zich verschuilen achter hun rollen en functies die zij in het dagelijks leven vervullen, en die daardoor in zijn ogen niet “echt” zijn. Hij noemt ze regelmatig schoften.
De vrijheid waarin we als mens zijn geworpen, waartoe we zijn veroordeeld, brengt in de ogen van Sartre ook een verplichting met zich mee, namelijk de verplichting om continu keuzes te maken waarbij je je niet verschuilt achter oneigenlijke argumenten: zo ben ik nu eenmaal, we hebben het altijd zo gedaan, het hoort nu eenmaal bij mijn functie, mijn meerdere vraagt dat van me. Als je je keuzes op die manier verantwoordt, ben je volgens Sartre “te kwader trouw”, het is maar dat je het weet!

Nu het tijdstip van het stoppen met betaald werken al ruim vijf maanden achter mij ligt en ik sinds die tijd geniet van een enorme vrijheid, wordt het tijd om mezelf eens af te vragen wat Sartre zou zeggen van de manier waarop ik met die vrijheid omga.
Even een mogelijk misverstand uit de weg ruimen: ik heb mijn werk nooit als een verplichting ervaren. Ik heb mijn opeenvolgende banen altijd in volle vrijheid aanvaard en indien nodig ook weer opgezegd. Dus in die zin is mijn vrijheid nu niets nieuws. Buiten dat zal ik ongetwijfeld binnen mijn werk regelmatig iets hebben gedaan of nagelaten wat door vriend Sartre als “kwade trouw” bestempeld zou kunnen worden, maar dat zij dan maar zo.

Ik heb een lange aanloop genomen naar de grote sprong vijf maanden geleden. In die aanloop heb ik goed nagedacht over hoe ik wilde dat mijn leven er na die sprong uit zou zien, wat ik allemaal zou kunnen en willen doen. Ik kwam telkens tot de conclusie dat ik geen nieuwe dingen zou hoeven te verzinnen, maar dat ik meer tijd zou willen besteden aan veel dingen die ik al jaren naast mijn werk toch al deed. Ik was er ook stellig van overtuigd dat ik de rest van mijn leven niet “al recreërend” zou willen doorbrengen. Ik zie veel mensen om mij heen die van de ene vakantie naar het volgende uitstapje leven, en verder geen in mijn ogen noemenswaardige activiteiten uitvoeren. Begrijp me goed: ik vel geen oordeel over het leven van andere mensen. Iedereen moet doen wat hij/zij zelf wil en waar hij/zij zich goed bij voelt, wat Sartre hier ook wellicht van zou kunnen vinden. En wat ik “niet noemenswaardig” vind, kunnen anderen zeer de moeite waard vinden. Ik wil hiermee alleen maar aangeven wat ik niet wil.
We komen hier ongemerkt bij een andere Sartriaanse notie: je eigen ik, je eigen authenticiteit wordt in belangrijke mate bepaald door al het andere om je heen, dus al datgene wat je niet bent. En als je alles opsomt wat je niet bent, dan blijft er verdomd weinig over. Behalve je vrijheid, je vrijheid die als een loden last op je schouders kan rusten en die je verplicht om zelf keuzes te maken over wat en wie je wil zijn. Ga er maar aan staan!

Ik moet eerlijk bekennen dat ik er in de afgelopen vijf maanden best af en toe mee worstel om een nieuw ritme te vinden in wat ik wel en niet doe. Soms bekruipt me enige onrust omdat ik vind dat ik te weinig doe van datgene wat ik me had voorgenomen. Een milde, goedbedoelde terechtwijzing van mijn levenspartner doet dan wel wonderen. Ik realiseer me dat ik alle tijd heb, en dat ik het mezelf moet toestaan om ook lekker te niksen, wat minder actief te zijn dan ik wellicht zou willen. Dit klinkt vreselijk calvinistisch, ik weet het, terwijl ik me graag presenteer als het tegendeel daarvan. Maar misschien laat ik me teveel meeslepen in mijn milde afkeer van lieden die hun leven al recreërend doorbrengen en is dit ook maar een rol die ik mezelf aanmeet. Daarmee ben ik wat dit betreft mogelijk een beetje “te kwader trouw”.

Ik zie mezelf als iemand die zich wil blijven ontwikkelen (stilstand is immers achteruitgang) en die graag dingen maakt: schilderijen, stukjes als dit. Ik gebruik dan ook graag het woord creëren als reactie op het eerder vermelde recreëren.
Ik weet van mezelf dat ik veel behoefte heb aan en enorm kan genieten van nietsdoen, lummelen, lanterfanten. Uiteraard is die behoefte sterker als je door het hebben van werk een druk bestaan hebt, dan nu. Maar toch, volgens mij is de tijd die je hieraan besteedt ook een soort verwerkingstijd, tijd die je nodig hebt om alles wat je meemaakt, wat je maakt, wat je bedenkt, een plekje in je bovenkamer te geven. Het lummelen en lanterfanten is daarom ook nog eens goed besteed. (Alweer zo’n ogenschijnlijke calvinistische gedachte: alsof altijd alles nuttig moet zijn!)
Komt mijn onrust door het feit dat ik koste wat het kost wil voorkómen dat mijn leven alleen maar bestaat uit recreëren? Komt dit doordat ik mij niet wil identificeren met mensen die dit wel doen? Laat ik mijn keuzes dus afhangen van wat ik andere mensen zie doen, en mijn oordeel daarover (terwijl ik dit oordeel eigenlijk helemaal niet wil geven)?
Moet ik niet veel meer erkennen dat ik dat recreëren, dat lummelen en lanterfanten ook heerlijk vind en dat dit goed bij mij past? Zolang er sprake is van een behoorlijke dosis activiteit en ontwikkeling, is er niets mis met een flinke portie recreatie en ontspanning. Zaak is om daar een goed evenwicht in te vinden, een evenwicht dat ik nu enigszins gevonden lijk te hebben, maar dat er over een tijdje heel anders kan uitzien.

Sartre zou graag zien dat ik continu alert blijf op het maken van mijn eigen keuzes, waarbij het oordeel of de mening van anderen er niet toe doet. Uiteraard hoor ik dat oordeel en die mening graag – een mens is immers niet alleen op de wereld – maar uiteindelijk zijn het mijn eigen keuzes, en daar gaat het in het leven om. Wat dat betreft ben ik het van harte met Jean-Paul eens.
Ik ben nog lang niet zover dat ik alle gedachten en ideeën van Sartre ken en begrijp. Maar dat is dan misschien iets waarin ik me nog verder wil ontwikkelen. Ik ben nog lang niet klaar.

De Middernachtbibliotheek: over het maken van keuzes in je leven

Gisteren bespraken we in één van mijn twee boekenclubs het boek “Middernachtbibliotheek” van Matt Haig. In deze boekenclub lezen we “filosofische romans”, dat wil zeggen romans die qua thematiek voldoende aanleiding geven om daar eens een flinke boom over op te zetten, zo mogelijk gerelateerd aan onze eigen levens.
In “Middernachtbibliotheek” laat de schrijver zijn hoofdpersonage Nora een bijzonder ongelukkig leven lijden, zelfs zodanig dat zij op een gegeven moment besluit om er een einde aan te maken. Na de daad verwacht zij dood te zijn, maar niets is minder waar. Zij komt terecht in de Middernachtbibliotheek, een tussengebied tussen leven en dood. Zij ontmoet daar de bibliothecaresse van haar oude middelbare school, die haar vertelt dat zij in de middernachtbibliotheek boeken kan kiezen waarin beschreven staat hoe haar leven zou zijn verlopen als zij andere keuzes had gemaakt. Door één van die boeken te kiezen, komt zij in dat betreffende leven terecht. Zij mag hierin blijven zolang zij tevreden is met dit leven. Zo niet, dan keert ze terug naar de bibliotheek waar zij een ander boek kan kiezen. Als zij geen ander boek kiest, dan volgt onvermijdelijk de onherroepelijke dood.
Echter, alvorens één van die boeken te kiezen, moet zij eerst kennisnemen van het “Boek vol Spijt”, een boek waarin alles staat beschreven waar zij spijt van heeft. Als ze al niet depressief was, zou ze dat hier wel van worden. De andere boeken moeten hier enig tegenwicht aan bieden, en haar er tevens van overtuigen dat haar leven in hoge mate bepaald wordt door de keuzes die ze zelf gemaakt heeft. Tegelijkertijd is er natuurlijk ook sprake van tal van bepalende gebeurtenissen en omstandigheden waar zij zelf geen invloed op heeft.
Door een aantal boeken te kiezen komt zij in levens terecht waarin ze achtereenvolgens een gevierd popster, een Olympisch zwemkampioen, een gletsjeronderzoeker en zo nog wat van die dingen is. In geen van die levens kan ze echter haar draai vinden, waardoor ze telkens terugkeert in de middernachtbibliotheek. Vanuit de ervaring dat er bij elk leven wel iets is waar ze niet tevreden over is en dat dit te maken heeft met haar eigen keuzes, komt zij tot het besef dat haar “stamleven” zoals dat in het boek wordt genoemd, zo slecht nog niet was en dat ze bij nader inzien eigenlijk helemaal niet meer dood wil. Het boek eindigt ermee dat ze terugkeert in haar stamleven en dat de gevolgen van haar suïcidepoging door adequaat medisch ingrijpen ongedaan worden gemaakt.
Het centrale thema van het boek – je leven wordt in hoge mate bepaald door de keuzes die je maakt, waardoor je dus ook in zekere zin verantwoordelijk bent voor je eigen levensgeluk – sprak ons in de boekenclub erg aan en was aanleiding voor een boeiende conversatie. Op het boek en hoe daarin het thema was uitgewerkt hadden we nogal wat commentaar.


Nora komt plompverloren in andere levens terecht, of beter gezegd, in haar eigen leven waarin ze andere afslagen heeft genomen. Het lijkt er echter keer op keer op dat ze haar eigen leven niet kent: ze herkent de mensen niet die ze tegenkomt, ze weet niet hoe haar verleden is geweest, en moet steeds als een detective te werk gaan om er achter te komen hoe haar eigen leven er eigenlijk uitziet. Dat gebrek aan kennis over haar eigen leven is erg ongeloofwaardig. Je wordt immers gevormd door je ervaringen, door je ontmoetingen, door datgene wat je hebt geleerd. Geen wonder dat Nora zich telkens ongemakkelijk voelt in een nieuw leven en dat ze dus terug wil naar de bibliotheek. Voor het verloop van het boek is dat uiteraard mooi meegenomen, maar helemaal realistisch is dat natuurlijk niet.
Terwijl het maken van keuzes in je leven het centrale thema is in het boek, blijft volstrekt onduidelijk hoe Nora tot haar keuzes komt: hoe ze nieuwe boeken uit de bibliotheek kiest en hoe ze tot bepaalde keuzes is gekomen in het leven waar ze instapt. Alles blijkt mogelijk; het aantal keuzes en het aantal mogelijke levens is oneindig.
Als gegeven is dat natuurlijk interessant en hoopgevend, maar ook dit komt mij onrealistisch over. In je eigen leven zijn je keuzemogelijkheden weliswaar groot, maar ook beperkt. Die beperking wordt bepaald door je talenten en vermogens, of deze nu aangeboren of aangeleerd zijn, door je persoonlijkheid die zich heeft gevormd in je opvoeding en je latere leven, door omstandigheden waar je geen invloed op hebt etcetera. Ik ben een groot aanhanger van de idee dat je zelf in hoge mate verantwoordelijk bent voor je eigen leven en de keuzes die je daarin maakt. Ook ben ik ervan overtuigd dat die keuzemogelijkheden vaak groter zijn dan we denken, en dat we daarmee ook meer verantwoordelijk zijn voor ons eigen geluk dan we ons wellicht realiseren. Maar helemaal onbegrensd zijn die mogelijkheden en die verantwoordelijkheid natuurlijk niet.
Aan het einde van het gesprek kwamen we tot de conclusie dat spijt een zinloos begrip is. Het heeft geen zin om ergens spijt van te hebben als je de stap die je gezet hebt niet ongedaan kunt maken. En wat er in het verleden is gebeurd, kunnen we niet ongedaan maken. We kunnen de tijd immers niet terugdraaien. Het is wel zaak om van dingen die we achteraf gezien anders hadden willen doen te leren, zodat we in de toekomst keuzes maken waar we, hopelijk, gelukkiger van worden.
Voor de volgende keer lezen we “Walging” van Jean-Paul Sartre. Sartre heeft ons natuurlijk ook heel wat te vertellen over hoe we keuzes moeten maken in ons leven en hoe we het beste kunnen omgaan met de vrijheid waarin we ons tegen wil en dank bevinden. Ik ben benieuwd wat de bespreking hiervan ons gaat opleveren.

Ars longa, vita brevis

Negen kunstenaars hebben in het Rijksmuseum Twenthe (jaja, met een h!) elk een ruimte ingericht. Ze waren door het museum uitgenodigd om met hun werk, in combinatie met werken uit de vaste collectie van het museum, te reflecteren op “La condition humaine”, de menselijke conditie in de 21e eeuw. Elke installatie richt zich op een bepaalde levensfase, getypeerd door respectievelijk Begeerte, Behoefte en beheersing, Het mysterie en het verlies daarvan, Spelen en beteugeling, Verbondenheid en vrijheid, De wilskracht en het onvermogen, Controle en loslaten, Trouw en ontrouw, en tenslotte Memento mori.
De tentoonstelling kreeg de titel “Ars longa, vita brevis” mee. De tentoonstelling zet aan tot nadenken over wat ons beweegt, over hoe wij in het leven staan, over hoe wij zin proberen te geven aan de wereld om ons heen en aan onszelf, over leven en dood.


In de begeleidende tekst bij de tentoonstelling wordt vermeld dat religie en humor manieren zijn om er niet aan te hoeven denken dat we dood gaan. “Kunst verleidt ons om dat juist wel te doen,” een uitspraak van de kunstenaar Joost van den Toorn.

Silvia B.: Le fou


Even verderop is in deze tekst het volgende te lezen:
“Een andere strategie is om weg te kijken van de angst, bijvoorbeeld door een volmaakte wereld in het vooruitzicht te stellen. De religie, en het christendom in het bijzonder, bood in Europa eeuwenlang een bevredigend antwoord op de onvolmaaktheid van het menselijk bestaan. In het hiernamaals wachtte de gelovige een harmonische toestand die tot in het oneindige zou duren. Dit in tegenstelling tot de onvolmaakte, aardse werkelijkheid, die zich bovenal laat kenmerken door een fundamentele tweeslachtigheid. Want het goede is er nooit zonder het kwade en de schoonheid nooit zonder de lelijkheid.
In de loop van de 20ste eeuw vormden het bestaan van een orde scheppende God en het vooruitzicht op de hemelse verlossing steeds minder een bevredigend antwoord op het menselijk tekort. Juist de notie dat wij mensen nooit de volmaakte toestand zullen bereiken, wordt vanaf de 20ste eeuw bepalend voor de manier waarop we over onszelf denken. Onze realiteit wordt doorsneden door contradicties. Onze wereld is fundamenteel tweeslachtig, en de menselijke strijd en verdeeldheid zijn onophefbaar. De kunsten bieden, in tegenstelling tot religie, geen sluitende antwoorden op dit tekort. Wel doen ze een poging om ons hiertoe te laten verhouden. Het maken én het aanschouwen van kunst kan een manier zijn om met het tekort om te gaan. Juist door in te zoomen op de dualiteit van het menselijk bestaan. Daarom is de menselijke conditie, en dan specifiek de menselijke conditie van de 21ste eeuw, die doordrongen is van deze dualiteit, het overkoepelende thema van Ars longa, vita brevis.”

Deze tekst trof mij en deed mij onherroepelijk denken aan de tijd, kort nadat mijn vader was overleden.
De uitvaart zou geleid worden door een bevriende priester. In de week tussen overlijden en uitvaart verzamelde hij bij ons verhalen over mijn vader zodat hij daaraan een thema voor de uitvaartdienst zou kunnen hangen. Het waren mooie gesprekken waarin wij herinneringen deelden en stil stonden bij het leven van mijn vader met al zijn ups en downs.
Vanwege de nogal grillige levensloop van mijn vader kwam onze vriend na het eerste gesprek met thema’s als de afwisseling van de magere en de vette jaren, het Bijbelse getal veertig (met bijvoorbeeld de veertig jaar dat het joodse volk door de woestijn trok alvorens in het beloofde land aan te komen), de wederopstanding en het leven dat de dood overwint.
De priester vroeg aan mij hoe ik tegen deze thema’s als rode draad voor de uitvaart aankeek. Ik antwoordde dat ik vond dat de dienst bij in eerste instantie mijn vader en in tweede instantie mijn moeder zou moeten passen. Wat ik ervan vond, deed er niet zoveel toe. Maar daar nam de blote-poten-pater, zoals hij zichzelf graag noemde, geen genoegen mee. Hij stond erop dat ik mijn opvatting te berde zou brengen. Met het figuurlijke mes op de keel zei ik dat ik deze thema’s weliswaar goed bij mijn vaders leven en de diverse fasen daarin vond passen, maar dat ze voor mij toch vooral uitdrukten dat we niet kunnen accepteren dat dood ook dood is. Verhalen die reppen van een leven na de dood, zijn volgens mij een teken van onwil en onmacht om het onvermijdelijke, namelijk de eindigheid van het leven te aanvaarden. Veel religies, waaronder het christendom, hebben van het leven na de dood een centraal thema gemaakt. Uiteraard zie ik en heb ik zelf ook meerdere malen ervaren dat het verdomd lastig is als een dierbare er plotseling niet meer is. Ik kan me voorstellen dat het troost biedt om te denken dat er na de dood een nieuw, mooier leven is, waarin we elkaar weer ontmoeten. Maar ik heb grote vraagtekens bij het realistische gehalte van deze gedachte. Ikzelf heb persoonlijk niets aan een troostrijke gedachte waaraan ik ten diepste twijfel.
Toen ik dit zo vertelde, realiseerde ik me uiteraard dat ik me in het hol van de leeuw bevond, door ten overstaan van een zeer erudiete en theologisch geschoolde priester deze opvatting te debiteren. Maar de reactie die onze vriend hierop gaf, had ik niet zien aankomen. Hij zei: “Erie, ik geloof dat je een punt hebt.”
Deze onverwachte wending in het boeiende gesprek, heeft vervolgens niet geleid tot wijziging van het door de priester voorgestelde thema’s. Ik was hier ook geenszins op uit. Het werd uiteindelijk een prachtige uitvaart.

Doesburg en Lalique, een wonderlijke combinatie

Onlangs bezocht ik het mooie Hanzestadje Doesburg, voor mij de eerste keer. Aanleiding voor mijn bezoek was de tentoonstelling “De Stijl, Theo van Doesburg en tijdgenoten” in het plaatselijke Lalique Museum. Eerlijk gezegd had ik nog nooit van de naamgever van het museum, de Franse glaskunstenaar en edelsmid René Lalique, gehoord, een hiaat in mijn kennis van de kunstgeschiedenis.
Het museum bezit een aanzienlijke verzameling glaswerk en sieraden van René Lalique, die leefde van 1860 tot 1945. Zijn werk wordt gerekend tot de art nouveau en art deco. Hij is bij het grote publiek bekend geworden door zijn ontwerpen voor parfumflacons.


Het museum geeft helaas geen informatie over de relatie van Lalique en Doesburg. Het blijft gissen waarom uitgerekend in Doesburg dit museum is gevestigd.
Kenmerkend voor de art deco en art nouveau is de overdaad aan versiering: planten, dieren, vrouwen. Het is allemaal bijzonder kundig gemaakt, maar op één of andere manier raakt het mij niet.


Ongeveer in dezelfde tijd dat de art deco en art nouveau bloeiden, kwam een kunststroming op die radicaal brak met de tot dan toe gangbare kunstvormen: de abstracte kunst. In Nederland speelde een groep kunstenaars onder de naam De Stijl hierin een belangrijke rol. Eén van de initiatiefnemers van De Stijl was Theo van Doesburg, pseudoniem van Christian Küpper. Ik heb nergens kunnen vinden waarom Van Doesburg dit pseudoniem heeft gekozen. Ook het museum in Doesburg geeft hierover geen informatie.
De expositie bevat, naast werken van Van Doesburg, werken van andere leden van De Stijl zoals Mondriaan, Van der Leck en Rietveld, maar ook van Kandinsky, Malevich en nog vele anderen.
Van Doesburg liet zich inspireren door een geschrift van Kandinsky waarin hij spreekt over de vergeestelijking van de kunst. Hiermee bedoelt hij dat kunst uit de geest ontspringt en niet uit de waarneembare wereld om ons heen. Kandinsky zet zich daarmee af tegen de jugendstil en de art nouveau. Dat is natuurlijk een interessant gegeven in een museum dat vernoemd is naar een belangrijke vertegenwoordiger van de art nouveau.


Kunst moest in de ogen van de kunstenaars van De Stijl worden ontdaan van alle niet essentiële elementen. Kenmerkend voor De Stijl zijn dan ook de elementaire geometrische vormen, en de primaire kleuren. De werken in de tentoonstelling van “De Stijl, Theo van Doesburg en tijdgenoten” vormen dan ook een schril contrast met de werken van Lalique: de Stijl strak, geometrisch, sober; Lalique weelderig en overdadig.

Bart van der Leck: Kleindochter Lon (Madeleine Babette)


Maar moeten we het dan doen met de verschillen tussen Lalique en Van Doesburg en de zijnen? Of zijn er ook overeenkomsten? Ligt daar misschien het antwoord op de vraag waarom de tentoonstelling van Van Doesburg uitgerekend in het Lalique Museum is?
Jugendstil, art deco en art nouveau zijn niet alleen zichtbaar in de beeldende kunst in enge zin, maar ook in de vormgeving van gebruiksvoorwerpen, meubels, architectuur. Lalique maakte glazen schalen, vazen en uiteraard parfumflacons.
Bij de kunstenaars van De Stijl zien we dat ook. Rietveld ontwierp zijn bekende stoel (en veel andere meubels) en ontwierp het Rietveld Schröder Huis. Van Doesburg had veel invloed op de activiteiten binnen het Bauhaus, ontwierp meubels en zijn eigen huis, maakte ontwerpen voor glas-in-lood, etc.
Het museum is nogal rommelig en bevat veel kleine ruimtes die via kruip-door-sluip-door-routes zijn te bereiken. In de ruimtes hangen kunstwerken en informatieve teksten, maar er worden vaak ook video’s vertoond. Hierdoor sta je elkaar voortdurend in de weg. Misschien was de informatie die ik gemist heb, wel aanwezig, maar heb ik het domweg niet gezien, vanwege de inrichting van het museum. Ik ving ergens in de wandelgangen flarden op van een gesprek over een mogelijk nieuwe locatie voor het museum.